Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2013:8643

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 november 2013
Publicatiedatum
18 december 2013
Zaaknummer
HA ZA 13-821
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 lid 1 RvArt. 224 lid 2 sub a RvArt. 224 lid 2 sub b RvArt. 224 lid 2 sub c RvArt. 224 lid 2 sub d Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing incident tot zekerheidstelling proceskosten tegen eiser woonachtig in buitenland

In deze zaak vorderen gedaagden zekerheidstelling voor proceskosten van eiser, die in het buitenland woont, op grond van artikel 224 lid 1 Rv Pro. Eiser voert verweer met een beroep op uitzonderingen in artikel 224 lid 2 sub c en Pro d Rv, stellende dat verhaal van proceskostenveroordeling in Nederland redelijkerwijs aannemelijk is en dat zekerheidstelling zijn toegang tot de rechter belemmert.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende specifieke verhaalsinformatie heeft verstrekt om de uitzondering van artikel 224 lid 2 sub c Rv Pro te doen gelden. Eiser heeft niet concreet toegelicht welk bedrag wordt beheerd, op welke rekening en het saldo daarvan. Ook het beroep op het maandelijks overmaken van €10.000 wordt verworpen omdat dit slechts tijdelijk geldt tot het accountantsrapport gereed is.

Het verweer dat zekerheidstelling de toegang tot de rechter belemmert wordt eveneens verworpen wegens onvoldoende aannemelijkheid. Ook het subsidiaire verweer van chicaneus procesrechtgebruik wordt afgewezen.

De rechtbank beveelt eiser om binnen vier weken een bankgarantie van €10.137 te stellen, bestaande uit advocaatkosten en griffierechten, en veroordeelt hem in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt niet aangehouden, maar de procedure wordt met termijnen voor het stellen van zekerheid en het indienen van conclusies voortgezet.

Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot het stellen van een bankgarantie van €10.137 voor proceskosten binnen vier weken.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/547309 / HA ZA 13-821
Vonnis in incident van 27 november 2013
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats] ([plaats]),
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. M. Koudstaal te Haarlem,
tegen

1.[gedaagde 1],

wonende te [plaats],
2.
[gedaagde 2],
wonende te [plaats], gemeente [plaats],
3.
[gedaagde 3],
wonende te [plaats],
4. de stichting
[gedaagde 4],
gevestigd te [plaats],
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. J.D. Boon te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en de Stichting genoemd worden en voor zover gedaagden gezamenlijk bedoeld worden zullen zij [gedaagden] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 19 juli 2013, met producties,
  • de incidentele provisionele conclusie houdende zekerheidstelling voor proceskosten van [gedaagden],
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het gevorderde in het incident

2.1.
[gedaagden] hebben gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] (hun vader) te veroordelen tot het stellen van zekerheid voor een bedrag van € 10.137,00 in de vorm van een bankgarantie bij een Nederlandse systeembank en de hoofdzaak aan te houden totdat de zekerheid is gesteld, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident.
2.2.
[gedaagden] hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] woonachtig is in [plaats] en aldus op grond van artikel 224 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) verplicht is om zekerheid te stellen voor de proceskosten waarin hij kan worden veroordeeld.
2.3.
[eiser] heeft verweer gevoerd. Volgens hem is hij niet verplicht tot het stellen van zekerheid omdat redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van de proceskosten in Nederland mogelijk zal zijn (artikel 224 lid 2 sub c Rv Pro) en omdat hem door het stellen van zekerheid de effectieve toegang tot de rechter wordt belemmerd (artikel 224 lid 2 sub d Rv Pro). Subsidiair stelt hij dat door het opwerpen van het incident chicaneus wordt gehandeld althans misbruik wordt gemaakt van procesrecht.
2.4.
Op de stellingen van partijen zal hierna nader worden ingegaan.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv Pro zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen op vordering van de wederpartij verplicht zekerheid te stellen voor de proceskosten. Die verplichting bestaat niet indien er sprake is van één van de in artikel 224 lid 2 Rv Pro genoemde uitzonderingsgronden. De uitzonderingsgronden betreffen, kort gezegd, dat het stellen van zekerheid verboden is door het internationaal recht (art. 224 lid 2 sub a Rv Pro), dat een proceskostenveroordeling executabel is in het woonland van eiser (art. 224 lid 2 sub b Rv Pro), dat het redelijkerwijs aannemelijk is dat een proceskostenveroordeling in Nederland kan worden geëxecuteerd (art. 224 lid 2 sub c Rv Pro) en dat het stellen van zekerheid een effectieve toegang tot de rechter zou belemmeren (art. 224 lid 2 sub d Rv Pro).
3.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] in [plaats] woonachtig is en dat er geen sprake is van een uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub a of Pro b Rv. [eiser] heeft een beroep gedaan op de uitzonderingsgronden als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub c en Pro d Rv.
3.3.
[eiser] heeft ten aanzien van de in sub c bedoelde uitzonderingsgrond aangevoerd dat [gedaagde 1] het geld beheert van [eiser]. Hij heeft het vermogen van [eiser] derhalve onder eigen controle en ontvangt zelfs het rendement op het bedrag van € 7.800.000,00 wat [eiser] (beweerdelijk) aan [gedaagden] geschonken zou hebben, dit terwijl [eiser] recht heeft op dit rendement. [gedaagden] kunnen een eventuele proceskostenveroordeling bovendien verrekenen met het bedrag van € 10.000,00 dat [gedaagde 1] maandelijks aan [eiser] moet overmaken, aldus steeds [eiser]. Om deze redenen is het redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van de proceskosten in Nederland mogelijk zal zijn, aldus [eiser].
3.4.
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De eiser die zich ter afwering van de incidentele vordering tot zekerheidstelling op de uitzondering als bedoeld in sub c van voornoemd artikel wenst te beroepen, zal specifieke verhaalsinformatie moeten verschaffen. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat verhaal voor een proceskostenveroordeling in Nederland mogelijk is, maar heeft niet specifiek (in de conclusie van antwoord in het incident) gesteld welk bedrag [gedaagde 1] voor hem beheert, op welke rekening dat staat en wat thans het saldo van die rekening is. De rechtbank constateert dat [eiser] bij dagvaarding een grote hoeveelheid producties in het geding heeft gebracht, maar zonder nadere toelichting die ontbreekt, kan de rechtbank op grond daarvan niet vaststellen dat verhaal voor de proceskostenveroordeling mogelijk is. Het geven van dergelijke specifieke, duidelijk toegelichte verhaalsinformatie lag wel op de weg van [eiser], althans op de weg van zijn raadsvrouw, zeker nu het Gerechtshof Amsterdam in de kortgedingprocedure in onderhavige zaak waarin eveneens een incident tot zekerheidstelling was opgeworpen door [gedaagden] de gevorderde zekerheidstelling heeft toegewezen en kennelijk voorbij is gegaan aan de verweren van [eiser].
Voor de stelling van [eiser] dat [gedaagde 1] het rendement op het aan [gedaagden] (beweerdelijk) geschonken bedrag ontvangt, geldt hetzelfde als hiervoor vermeld. Het lag op de weg van [eiser], althans zijn raadsvrouw, om gemotiveerd te stellen dat [eiser] recht heeft op het rendement, op welke rekening in Nederland dat rendement wordt ontvangen en wat thans het saldo van die rekening, althans het rendement, is. Dat [eiser] dit heeft nagelaten dient voor zijn risico te blijven.
Ten slotte geldt voor de stelling dat [gedaagde 1] maandelijks een bedrag van € 10.000,00 aan [eiser] moet overmaken, dat blijkens het als productie 52 overgelegde proces-verbaal van de zitting op 16 april 2013 (waar [eiser] in zijn conclusie van antwoord in het incident zelf naar heeft verwezen) [gedaagde 1] en [eiser] zijn overeengekomen dat het bedrag van € 10.000,00 zal worden betaald tot en met de maand waarin het accountantsrapport gereed komt. Dit accountantsrapport wordt opgemaakt, althans zo begrijpt de rechtbank uit hetzelfde proces-verbaal, om te beoordelen of [gedaagde 1] een goed en betrouwbaar beheer over het vermogen van [eiser] heeft gevoerd, welk rapport dient ter beoordeling van de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak. De hoofdzaak zal derhalve pas kunnen worden behandeld op het moment dat het accountantsrapport gereed is. Dat betekent dat op het moment dat een eventuele proceskostenveroordeling zal worden uitgesproken, geen verplichting meer bestaat voor [eiser] om maandelijks een bedrag van € 10.000,00 aan [eiser] te betalen. Nu daarmee niet vaststaat dat het (op het moment van het uitspreken van de proceskostenveroordeling) redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor de proceskostenveroordeling mogelijk is, wordt ook dit verweer verworpen.
3.5.
Het verweer dat door de verplichting tot het stellen van zekerheid de effectieve toegang tot de Nederlandse rechter voor [eiser] wordt belemmerd als bedoeld in artikel 224 lid 2 onder Pro d Rv wordt eveneens verworpen, nu dit onvoldoende aannemelijk is geworden. Ditzelfde geldt voor het subsidiaire verweer dat [gedaagden] chicaneus hebben gehandeld of misbruik maken van procesrecht door het opwerpen van het incident.
3.6.
Vorenstaande betekent dat het gevorderde in het incident wordt toegewezen. [gedaagden] hebben gevorderd om het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld vast te stellen op € 10.137,00, bestaande uit een bedrag van € 6.422,00 voor salaris advocaat en € 3.715,00 aan griffierechten. Nu tegen de hoogte van de gevorderde zekerheidstelling of de wijze waarop zekerheid moet worden gesteld geen verweer is gevoerd zal de rechtbank bepalen dat voor € 10.137,00 zekerheid moet worden gesteld in de vorm van een door een Nederlandse systeembank af te geven bankgarantie.
3.7.
[gedaagden] hebben ten slotte gevorderd dat de hoofdzaak wordt aangehouden totdat de zekerheid is gesteld om aan hen vervolgens een termijn van zes weken te geven voor het nemen van een conclusie van antwoord. De rechtbank wijst dit verzoek af om proceseconomische redenen. Aan [eiser] zal, zoals eveneens door [gedaagden] is gevorderd, een termijn van vier weken worden gegeven om de bankgarantie te stellen, waarna aan [gedaagden] eveneens een termijn van vier weken zal worden gegeven om hun conclusie van antwoord in te dienen. Daarmee wordt verdere vertraging van de hoofdzaak zoveel mogelijk beperkt.
3.8.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident van [gedaagden] worden veroordeeld, tot op heden begroot op € 452,00
(1 punt x tarief € 452,00).

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
beveelt [eiser] om binnen vier weken na heden zekerheid te stellen voor de proceskosten waarin hij zou kunnen worden veroordeeld, in de vorm van een bankgarantie bij een Nederlandse systeembank die op vertoon van een onherroepelijke of uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak in onderhavige zaak kan worden getrokken,
4.2.
bepaalt het bedrag van die zekerheid op € 10.137,00 (tienduizend honderdzevenendertig euro),
4.3.
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 452,00,
4.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
22 januari 2014voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2013. [1]

Voetnoten

1.type: MGV