ECLI:NL:RBAMS:2013:8950

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2013
Publicatiedatum
24 december 2013
Zaaknummer
HA RK 13-168
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 39 lid 1 RvArt. 39 lid 5 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rolrechter niet-ontvankelijk verklaard na beëindiging bemoeienis

Verzoekster, partij in een civiele procedure, diende een wrakingsverzoek in tegen de rolrechter die betrokken was bij haar zaak. De rechtbank nam kennis van het schriftelijke verzoek en relevante stukken, waaronder eerdere afwijzingen van verzoeken tot uitstel.

De rolrechter had zijn rolbeschikking gegeven en bevestigd, waarna zijn bemoeienis met de zaak geacht werd te zijn beëindigd. Op grond van artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering kan een rechter worden gewraakt indien zijn onpartijdigheid in het geding is, maar dit is alleen mogelijk zolang de rechter bemoeienis met de zaak heeft.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat het doel van wraking, het beletten van verdere behandeling door de rechter, niet meer aan de orde was. Een mondelinge behandeling werd niet noodzakelijk geacht. De beslissing werd uitgesproken op 25 juni 2013 en is niet vatbaar voor beroep.

Uitkomst: Verzoek tot wraking van de rolrechter is niet-ontvankelijk verklaard omdat zijn bemoeienis met de zaak was beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beschikking op het onder rekestnummer HA RK 13-168 ingeschreven verzoek van:
[verzoekster],
zaakdoende te Amsterdam,
verzoekster,
gemachtigde mr. R. Moszkowicz,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.W.H. Vink in zijn hoedanigheid van rolrechter.
Verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:
 Het schriftelijke wrakingsverzoek van 18 juni 2013;
 Een kopie van een verkorte rollijst van 29 mei 2012 met daarin opgenomen een mondeling gegeven afwijzende rolbeschikking op een verzoek van verzoekster tot nader uitstel voor het nemen van een conclusie van antwoord;
 een brief van de griffier van 18 juni 2013 waarin opgenomen een afwijzende beslissing van de rolrechter op een verzoek van verzoekster om herziening van de rolbeschikking van 29 mei 2012.

1.Feiten

Klaagster is gedaagde partij in een zaak die onder rolnummer 1418131 HA EXPL 13-296 bij de rechtbank in behandeling is. De zaak is op 12 maart 2013 bij de rechtbank aangebracht. De zaak is vervolgens naar de rol verwezen van 24 april 2013 voor het nemen van een conclusie van antwoord.
Na een verzoek om aanhouding, is de zaak op de rol van 24 april 2013 verwezen naar de rol van 29 mei 2013 met de mededeling dat in beginsel geen verder uitstel zou worden toegestaan.
Op 28 mei 2013 heeft verzoekster opnieuw een verzoek tot aanhouding gedaan welk verzoek op de rol van 29 mei 2013 door de rolrechter is afgewezen. De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van 26 juni 2013 voor het wijzen van vonnis.
Bij brief van 12 juni 2013 heeft verzoekster herziening van de afwijzende rolbeschikking van 29 mei 2013 verzocht.
Bij brief van 18 juni 2013 heeft de rolrechter bij monde van de griffier het verzoek afgewezen.

2.De beoordeling van (de ontvankelijkheid van) het verzoek

2.1
Op grond van het bepaalde in artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), kan een rechter die een zaak in behandeling heeft, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2
Een wraking kan worden verzocht ten aanzien van iedere rechter die een zaak behandelt. Onder iedere rechter wordt in dit verband verstaan iedere rechter die "bemoeienis heeft met de desbetreffende zaak". Dat kan dus ook gelden voor een rolrechter.
2.3
Echter, nadat de rolrechter in kwestie zijn rolbeschikking heeft gegeven en bevestigd, moet zijn bemoeienis met de zaak geacht worden te zijn beëindigd. Daarmee komt de mogelijkheid van wraking te vervallen. Volgens vaste opvatting immers kan een wrakingsverzoek niet meer worden ingediend, als de betreffende rechter (zijn aandeel in) de behandeling van de zaak heeft beëindigd. Het doel van een wraking - de rechter verdere behandeling van de zaak te beletten – kan dan namelijk niet meer aan de orde zijn.
2.3
Het onderhavige verzoek dient naar het oordeel van de wrakingskamer daarom aanstonds als niet ontvankelijk te worden afgewezen.
3. Voor een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek als bedoeld in artikel 39 lid 1 Rv Pro bestaat geen aanleiding. Het in deze bepaling gegeven recht op hoor en wederhoor is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Aan dat onderzoek komt de wrakingskamer niet toe omdat het verzoek aanstonds niet ontvankelijk wordt verklaard.
5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De wrakingskamer:
 Verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking.
Aldus gegeven door mrs. E.R.S.M. Marres, voorzitter, R.H. de Vries en A.W.J. Ros, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv Pro geen voorziening open.