ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3529
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- A.J.M. Breedveld- van Beeck Calkoen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering opvolgend werkgeverschap en kennelijk onredelijk ontslag na faillissement
De werknemer was sinds 1999 in dienst bij Zelkova B.V. en kreeg in 2011 een nieuwe arbeidsovereenkomst als chauffeur. Na het faillissement van Zelkova B.V. nam Zelkova de activa en enkele werknemers over, waaronder de werknemer, met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De werknemer vorderde betaling van loon en schadevergoeding, stellende dat sprake was van opvolgend werkgeverschap en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
De rechtbank oordeelde dat opvolgend werkgeverschap ex artikel 7:668a BW niet aannemelijk was, omdat onvoldoende banden tussen Zelkova en Zelkova B.V. waren vastgesteld. De directeur van Zelkova had geen specifieke kennis van de oude werkgever en de overgenomen directeur kon zijn kennis niet aan Zelkova worden toegerekend. Hierdoor werd de primaire vordering afgewezen.
De subsidiaire vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag werd eveneens afgewezen, omdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd rechtsgeldig was geëindigd en een kort geding niet geschikt is voor beoordeling van kennelijk onredelijk ontslag. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot erkenning van opvolgend werkgeverschap en schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag wordt afgewezen.