ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ4282
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.M. van den Bergh
- K.A. Brunner
- H.M. van Niftrik
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs verkrachting en aanranding in Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van verkrachting en aanranding van een jonge vrouw in mei 2012. Het slachtoffer verklaarde dat zij onder dwang seksuele handelingen had ondergaan, terwijl verdachte ontkende dat er sprake was van dwang en stelde dat de handelingen vrijwillig waren.
De rechtbank beoordeelde het bewijs aan de hand van het bewijsminimum zoals bedoeld in artikel 342 lid 2 Sv Pro, waarbij de verklaring van één getuige niet voldoende is zonder steunbewijs. In dit dossier ontbrak voldoende aanvullend bewijsmateriaal dat de onvrijwilligheid van het slachtoffer kon ondersteunen. De 112-gesprekken van het slachtoffer vonden plaats na de seksuele handelingen met verdachte en konden daarom niet als steunbewijs gelden.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van vier jaar, maar de verdediging betoogde dat de verklaring van het slachtoffer niet werd ondersteund door andere feiten en dat verdachte mocht aannemen dat het slachtoffer instemde. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten en wees de vordering tot gevangenneming af. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor verkrachting en aanranding.