ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ9150
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering fietstaxivergunningen Amsterdam
Vier fietstaxiondernemingen hebben bezwaar gemaakt tegen het nieuwe beleid van de gemeente Amsterdam dat het aantal fietstaxivergunningen beperkt tot maximaal 100. Naar aanleiding daarvan vroegen zij de rechtbank om een voorlopige voorziening die handhaving tegen hen zou schorsen totdat op hun bezwaren was beslist. De rechtbank oordeelde dat het belang van de gemeente bij het reguleren van het gebruik van de openbare ruimte, de verkeersdoorstroming en het handhaven van de vergunningplicht zwaarder weegt dan het belang van de ondernemingen om hun werkzaamheden voort te zetten.
De ondernemingen voerden aan dat de weigering van hun vergunningen onrechtmatig was en dat zij onvoldoende gelegenheid hadden gekregen om hun aanvragen aan te vullen, met name ten aanzien van de invulling van de zorgplicht voor hun chauffeurs. De rechtbank stelde vast dat het nieuwe uitvoeringsbeleid transparant was en dat de ondernemingen in een vroeg stadium bij het beleid waren betrokken. De zorgplicht houdt in dat de vergunninghouder verantwoordelijk is voor het gedrag van zijn chauffeurs, maar dit hoeft niet contractueel te worden geregeld.
De rechtbank concludeerde dat de vergunningweigeringen niet onrechtmatig zijn en dat de belangen van de vergunninghouders die wel een vergunning hebben en de algemene belangen van de stad prevaleren. De tijdelijke toestemming om zonder vergunning te rijden was al ruim een maand van kracht en de beslissing op bezwaar werd binnen korte termijn verwacht. Daarom was geen aanleiding voor een voorlopige voorziening. Het verzoek werd afgewezen en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van fietstaxivergunningen wordt afgewezen.