ECLI:NL:RBAMS:2013:CA3236

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13/676147-12 (beschikking)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 126nf SvArt. 446 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep officier van justitie op verstrekking forensische GGZ-rapportages verdachte

De officier van justitie had hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris die de vordering tot verstrekking van rapportages van de forensische GGZ-kliniek waar verdachte was geplaatst, had afgewezen. Deze rapportages waren bedoeld om de eis tot terbeschikkingstelling te onderbouwen in een strafzaak waarin verdachte had geweigerd mee te werken aan persoonlijkheidsonderzoeken.

De rechtbank overwoog dat artikel 126nf Sv betrekking heeft op de opsporingsfase van het strafproces en dat het belang van het opsporingsonderzoek niet meebrengt dat ook gegevens over de persoon van verdachte, zoals de forensische rapportages, verstrekt moeten worden als deze niet bijdragen aan de opsporing van de feiten. De rechter-commissaris had terecht geoordeeld dat het opvragen van deze rapportages niet dringend noodzakelijk was voor het onderzoek.

De rechtbank bevestigde dat het belang van het onderzoek in de zin van artikel 126nf Sv niet dringend vordert dat de rapportages worden verstrekt. Daarom wees zij het hoger beroep van de officier van justitie af. Tegen deze beschikking staat beroep in cassatie open.

Uitkomst: De rechtbank wijst het hoger beroep van de officier van justitie af en bevestigt de afwijzing van de vordering tot verstrekking van de rapportages.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/676147-12
RK: 13/2009
BESCHIKKING
op het op 8 april 2013 ingekomen schriftuur hoger beroep van de officier van justitie ex artikel 446 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) tegen de beschikking van de rechter-commissaris op een vordering als bedoeld in artikel 126 nf Pro Sv in de zaak tegen verdachte:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [1988],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in PI [plaats], locatie [locatie],
verder te noemen verdachte.
Inhoud van het hoger beroep
Het rechtsmiddel richt zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris van de rechtbank Amsterdam d.d. 12 maart 2013. Deze beslissing houdt in de afwijzing van de vordering verstrekking gegevens van verdachte op grond van artikel 126nf Sv. De vordering betreft rapportages die ten grondslag liggen aan de plaatsing van verdachte in de forensische GGZ-kliniek ‘[locatie 1]’ in het kader van een eerder aan hem opgelegde gevangenisstraf, nu verdachte in onderhavige strafzaak heeft geweigerd mee te werken aan persoonlijkheidsonderzoeken.
De rechter-commissaris heeft - zakelijk weergegeven - de vordering afgewezen, aangezien het opvragen van voornoemde rapportages geen bijdrage levert aan de opsporing van de verweten feiten en derhalve niet in het belang is van het onderzoek als bedoeld in artikel 126nf, lid 1 Sv.
Procesgang
Het hoger beroep is bij akte van 8 april 2013 ingesteld.
De rechtbank heeft op 15 mei 2013 de officier van justi¬tie in besloten raadka¬mer ge¬hoord.
Verdachte heeft afstand gedaan van zijn recht in raadkamer te verschijnen.
Deze afstandsverklaring d.d. 15 mei 2013 is in het dossier gevoegd.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft in raadkamer ter toelichting op het ingediende rechtsmiddel verklaard dat de onderhavige strafzaak in hoger beroep loopt en dat in september 2013 een regiezitting is gepland. De vordering verstrekking gegevens ziet op stukken van ‘[locatie 1]’, opgemaakt bij en tijdens de opname van verdachte aldaar. Deze stukken bevinden zich niet in het gewone persoonsdossier van verdachte. De zaaksofficier van justitie is van mening dat er een dringend belang is over deze stukken te beschikken, nu zij, gelet op de veelheid aan geweld dat door verdachte aan de dag is gelegd en de feiten die zijn gepleegd, een vordering terbeschikkingstelling wil doen. Deze maatregel is in eerste aanleg ook gevorderd. De zaaksofficier is van mening dat zij haar eis in hoger beroep met de rapportages van ‘[locatie 1]’ verder kan onderbouwen. Verdachte is in het [locatie 2] geplaatst, maar heeft op niet-pathologische gronden geweigerd mee te werken aan het onderzoek aldaar.
Beoordeling
Op grond van artikel 126nf Sv kan de officier van justitie gevoelige gegevens vorderen, doch uitsluitend indien het belang van het onderzoek dit dringend vordert.
De rechtbank heeft kennis genomen van het oordeel van de rechter-commissaris dat - zakelijk weergegeven - het opvragen van de rapportages geen bijdrage levert aan de opsporing van de verweten feiten en dat er derhalve geen sprake is van gegevens die van belang zijn voor het onderzoek als bedoeld in artikel 126nf, lid 1 Sv.
De rechtbank overweegt dat het begrip ‘onderzoek’ in de loop van een strafproces op verschillende manieren kan worden gedefinieerd, afhankelijk van de stand van dat strafproces.
In casu staat centraal het onderzoek als bedoeld in artikel 126nf, lid 1 Sv. Dit artikel is in het eerste Wetboek van Strafvordering opgenomen onder titel IVA, getiteld ‘Bijzondere bevoegdheden tot opsporing’.
Nu voornoemd artikel op die plaats in het Wetboek van Strafvordering is opgenomen leidt de rechtbank daaruit af dat deze bepaling betrekking heeft op die fase van het strafproces, te weten de opsporing. Hierbij dient, zo blijkt ook uit de wetsgeschiedenis, de waarheidsvinding naar aanleiding van een delict voorop te staan. Het belang van het opsporingsonderzoek kan daarom niet worden geacht mede het onderzoek naar de persoon van de verdachte te omvatten, zoals dat ter terechtzitting aan de orde komt. De wettelijke mogelijkheden tot onderzoek naar de geestgesteldheid van verdachte komt elders in het Wetboek van Strafvordering aan de orde.
De rechtbank is dan ook met de rechter-commissaris van oordeel dat het belang van het onderzoek het als bedoeld in artikel 126nf, lid 1 Sv niet dringend vordert dat de betreffende rapportages worden opgevraagd door de officier van justitie.
Gelet hierop zal de rechtbank het hoger beroep dan ook afwijzen.
De rechtbank komt tot de volgende beslissing.
Beslissing
De rechtbank wijst het hoger beroep AF.
Deze beslissing is op 29 mei 2013 gegeven door
mr. P.B. Martens, voorzitter,
mrs. E. Diepraam en P. Rodenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.M. Noomen, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen binnen 14 (veertien) na dagtekening van deze beschikking.