ECLI:NL:RBAMS:2014:1117
Rechtbank Amsterdam
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Aanhouding en overlevering van opgeëiste persoon onder specialiteitsvoorwaarde
De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Italië op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd in 2011. De opgeëiste persoon is eerder door Colombia aan Nederland uitgeleverd onder de voorwaarde dat hij niet voor andere feiten dan waarvoor uitlevering is verleend, berecht mag worden.
De verdediging voerde aan dat de overlevering aan Italië geweigerd moet worden omdat Nederland concrete afspraken met Colombia heeft gemaakt die verderlevering verbieden. De officier van justitie stelde dat de Overleveringswet een gesloten stelsel van weigeringsgronden kent en dat toestemming van Colombia nodig is voor verdere uitlevering.
De rechtbank concludeerde dat op grond van artikel 22, tweede lid, OLW en het specialiteitsbeginsel uit het kaderbesluit, eerst toestemming van Colombia moet worden verkregen voordat de rechtbank kan beslissen over de overlevering aan Italië. Daarom werd de zaak geschorst en de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om de benodigde toestemming te verkrijgen.
De rechtbank bepaalde dat het onderzoek wordt heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, met een nog te bepalen vervolgzitting, waarbij de opgeëiste persoon en een Spaanse tolk zullen worden opgeroepen. Tegen deze tussenuitsprak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank schorst de beslissing over overlevering aan Italië totdat toestemming van Colombia voor verderlevering is verkregen.