ECLI:NL:RBAMS:2014:2747

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2014
Publicatiedatum
16 mei 2014
Zaaknummer
14.510/562903
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29b WjzArt. 29c WjzArt. 69 WjzArt. 72 Wjz
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdzorg voor 13-jarige jongen onder voorwaarde BOPZ-traject

De William Schrikker Groep (WSG) verzocht de rechtbank Amsterdam om een machtiging voor gesloten jeugdzorg voor een 13-jarige jongen, die ernstige gedragsproblemen vertoont en niet meer adequaat thuis kan worden begeleid. De kinderrechter behandelde het verzoek op 15 april 2014 achter gesloten deuren, waarbij de minderjarige en gezinshuisouder niet aanwezig waren, maar vertegenwoordigd werden.

De gedragsproblemen van de minderjarige zijn ernstig geëscaleerd, met bedreigend gedrag, vernielingen en seksuele ontremming, waardoor een veilige leefomgeving niet meer gegarandeerd kan worden. De WSG acht een gesloten plaatsing noodzakelijk, hoewel de voorkeur uitgaat naar een passende drie-milieuvoorziening met behandeling, die momenteel niet beschikbaar is. De kinderrechter erkent dat plaatsing in de Koppeling onwenselijk is vanwege de problematiek van de jongen.

De kinderrechter acht het verzoek tot machtiging gesloten jeugdzorg toewijsbaar en verleent deze voor de duur van een maand, onder de voorwaarde dat de WSG zich inspant om een BOPZ-machtiging voor opname in een GGZ-instelling te realiseren. Indien voor 19 april 2014 geen indicatiebesluit is ingediend, vervalt de machtiging. Verdere beslissingen worden aangehouden voor nader overleg en afstemming.

Uitkomst: Machtiging gesloten jeugdzorg verleend voor één maand onder voorwaarde van BOPZ-traject.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
Machtiging gesloten jeugdzorg
Zaaknummer: 14.510/562903
Beschikking van de kinderrechter in de bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van het namens het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, ingediende verzoek door
de William Schrikker Groep,
hierna ook te noemen: de WSG,
met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
[moeder], wonende te [woonplaats], is de moeder.
[vader], de vader, is overleden.
Bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 18 april 2012 is het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam benoemd tot voogdes over de minderjarige.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt: de minderjarige, [gezinshuisouder] (gezinshuisouder) en de WSG.

1.Verloop van de procedure

Op 10 april 2014 heeft de WSG (per fax) een verzoekschrift met bijlagen ingediend, strekkende tot het verlenen van een machtiging om voornoemde minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van zes maanden, en omdat de machtiging niet kan worden afgewacht een
voorlopigemachtiging te verlenen voor de duur van twee weken. Verzoeker heeft daarbij verklaard dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29c, tweede lid van de Wet op de jeugdzorg (Wjz).
Er is geen indicatiebesluit ingediend.
Op 15 april 2014 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.
Verschenen en gehoord zijn:
  • mr. M. Saaidi namens de minderjarige;
  • [medewerker] namens de WSG, en
  • [medewerker] namens Spirit.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn de minderjarige en de gezinshuisouder niet verschenen.

2.Beoordeling van het verzochte

Bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 18 april 2012 is het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam benoemd tot voogdes over de minderjarige.
Namens de WSG is ter zitting aangevoerd dat verzocht is om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor verblijf in een gesloten instelling, omdat het gedrag van de minderjarige de afgelopen maand gedrag ernstig is geëscaleerd. Het is voor de gezinshuisouder onmogelijk om voldoende toezicht te houden op hem. De minderjarige is niet aanspreekbaar op zijn gedrag en is daar ook niet meer gevoelig voor. Daarbij vertoont hij bedreigend gedrag in de wijk, vernielt hij eigendommen van andere kinderen en heeft ingebroken in een ander kinderhuis. Hij is niet in staat aansluiting te vinden bij anderen en is hij seksueel ontremd waardoor het niet veilig is in de buurt.
Ook is bedreigend naar de leiding, ook fysiek. Gisterenavond is de politie gebeld omdat de vervangende gezinsouder het niet aan kon. Nadat politie is gebeld werd het wel minder. Het lukt niet om zijn leefklimaat positief te beïnvloeden.
De WSG acht een gesloten plaatsing op dit moment de beste oplossing, omdat hij een gestructureerde omgeving en toezicht nodig heeft. De WSG begrijpt dat die (gesloten) plaatsing niet eindeloos dient te duren, en is op zoek naar en passende driemilieu-voorziening, waar hij ook behandeling kan krijgen. Helaas is die niet voorhanden op dit moment.
Op 24 april 2014 zal er een uitvoerdersoverleg plaats vinden met alle betrokkenen om een mapping te maken. Alle zorgen en wensen zullen dan worden geformuleerd en in kaart worden gebracht. Duidelijk is dat de minderjarige specifieke begeleiding nodig heeft.
Positief is dat de minderjarige wel een goede band heeft met de gezinshuisouder. Die heeft ook goed contact met de biologische moeder. Moeder zou het heel erg vinden als hij naar de Koppeling zou moeten.
Een beschikking is nodig om plaatsing in de Koppeling te verwezenlijken. Daarna kunnen er
stappen worden ondernomen om hem in een drie-milieuvoorziening te kunnen plaatsen.
Spirit heeft nu kunnen regelen dat hij kon blijven in het gezinshuis. Een andere optie was dat hij iedere avond naar een ander noodbed zou moeten. Dat vindt de WSG niet wenselijk, omdat de minderjarige al veel heeft meegemaakt en dit heel onrustig is. Dan heeft het voor de WSG de voorkeur om een vaste, in dit geval gesloten plek voor hem te regelen.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de minderjarige echt niet naar de Koppeling wil. De raadsvrouw is ook van mening dat de Koppeling niet de juiste plek is voor de minderjarige. De mogelijkheid om de minderjarige met een BOPZ-machtiging te laten opnemen in een GGZ-instelling zou beter zijn, maar de vraag is of hij daar ook niet zal worden afgewezen.
Namens Spirit is door de maatschappelijk werkster aangevoerd dat de minderjarige in de knel zit en dat een kat in het nauw rare sprongen kan maken. Vorige week heeft de minderjarige allerlei monopolie geld in zijn kamer in brand gestoken. Er zijn allerlei signalen dat hij aan het verzuipen is. De grootste angst van de maatschappelijk werkster is dat hij iets gaat doen, waar hij zelf geen grip meer op heeft.
De kinderrechter is van oordeel dat zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 29b Wjz, zodat het verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdzorg voor toewijzing vatbaar is.
De kinderrechter hecht er belang aan op te merken dat plaatsing in de Koppeling onwenselijk is. De problematiek van de minderjarige vereist maatwerk en 1 op 1 begeleiding die de koppeling niet kan bieden. De prikkels in de Koppeling zullen voor de minderjarige ook te groot zijn. Ondanks deze forse bedenkingen staat iedereen, zowel de hulpverlening, de kinderrechter en niet in het minst de minderjarige met de rug tegen de muur en is het alternatief in de vorm van plaatsing via opeenvolgende noodbedden nog onwenselijker. De geschiedenis en de gedragingen van de minderjarige wijzen in de richting van een GGZ plaatsing via de BOPZ. De kinderrechter is van oordeel dat de WSG zich in zal moeten zetten om een plaatsing binnen de GGZ te realiseren waarbij wel rekening kan worden gehouden met de forse psychiatrische problematiek van de minderjarige.
Gelet op het voorgaande en het verhandelde ter terechtzitting acht de kinderrechter het noodzakelijk voornoemde minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen in de hierna te noemen voorziening.
De machtiging zal wel worden verleend onder de voorwaarde dat er geprobeerd zal worden om de minderjarige via een BOPZ-machtiging te laten opnemen in een GGZ-instelling. Nu dat op dit moment nog niet is geregeld en er sprake is van een noodsituatie, zal de machtiging worden verleend voor de duur van een maand, en zal de beslissing voor het overige worden aangehouden.
De kinderrechter overweegt daarbij nog dat de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen wordt onttrokken.
De kinderrechter bepaalt voorts uitdrukkelijk dat indien er nietvóór 19 april 2014door de WSG een indicatiebesluit is ingediend, deze machtiging tot uithuisplaatsing zal vervallen.
Mitsdien wordt als volgt beslist.

3.Beslissing

De kinderrechter:
- verleent machtiging om voornoemde minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven met ingang van 15 april 2014 voor de duur van een maand;
- houdt iedere verdere beslissing aan tot een
13 mei 2014op een nader te bepalen tijdstip, en beveelt de oproeping van de minderjarige, diens raadsvrouw, de gezinshuisouder en de WSG.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. van de Water, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2014, in tegenwoordigheid van A. Gordon, griffier. [1]