Uitspraak
1.[bedrijf],
- dagvaarding van 23 mei 2013 met producties;
- antwoord met producties;
- instructievonnis;
- repliek met producties;
- dupliek;
- dagbepaling vonnis.
1.Feiten
2.De vordering en het verweer
- in de eerste plaats is [eiser] akkoord gegaan met het betalen van de commissie;
- daarnaast stuit de vordering af op art. 6:89 BW Pro, omdat [eiser] niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt, of redelijkerwijze had kunnen ontdekken, bij [bedrijf] heeft geprotesteerd;
- het standpunt van [eiser] is tegenstrijdig en kan daardoor niet worden toegewezen: enerzijds stelt hij dat [bedrijf] zowel van de verhuurder als van [eiser] een opdracht tot bemiddeling had gekregen, anderzijds ontkent hij opdracht te hebben gegeven tot bemiddeling;
- het beroep op art. 7:417 lid 4 en Pro 7:418 lid 2 BW gaat niet op, omdat [bedrijf] geen bemiddelingsovereenkomst met de eigenaar/verhuurder had, [bedrijf] had uitsluitend contact met de door de verhuurder/eigenaar ingeschakelde makelaar;
- het beroep op art. 7:418 lid 2 BW Pro gaat niet op, omdat niet aan de orde is dat [bedrijf] enig belang voor [eiser] verzwegen heeft: haar enig belang bij de totstandkoming van de huurovereenkomst was immers het verkrijgen van commissie;
- het beroep op art. 7:264 lid 2 BW Pro gaat evenmin op, omdat er geen sprake is van een niet redelijk voordeel. De door [bedrijf] in rekening gebrachte commissie is redelijk en gebruikelijk in verhouding tot de verrichte werkzaamheden. Evenmin is sprake van een misstand in verband met de ongelijkwaardige positie van de huurder zoals bedoeld in de uitspraak van HR 6 april 2012, LJN BV1767, terwijl er evenmin sprake van is dat tegenover de in rekening gebrachte commissie een verwaarloosbare tegenprestatie staat.