ECLI:NL:RBAMS:2014:3314
Rechtbank Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Opheffing van beperkingen in overleveringsdetentie wegens ontbreken wettelijke basis
Klager, een Finse staatsburger zonder vaste verblijfplaats in Nederland, is op 19 december 2013 aangehouden in het kader van een overleveringsverzoek uit Finland. Sindsdien verblijft hij in overleveringsdetentie. Op 5 februari 2014 heeft de officier van justitie beperkingen opgelegd aan klager, waaronder het verbod op bezoek, telefonisch contact en correspondentie zonder toestemming.
Klager maakte bezwaar tegen deze beperkingen, stellende dat er geen wettelijke basis voor bestaat, de beperkingen niet gerechtvaardigd zijn en dat hij onevenredig zwaar wordt getroffen. De rechtbank heeft de zaak in raadkamer behandeld en heeft overwogen dat artikel 62 Sv Pro van overeenkomstige toepassing is op overleveringsdetentie, waardoor de officier van justitie in beginsel bevoegd is dergelijke beperkingen op te leggen.
Echter, de rechtbank oordeelt dat het opleggen van beperkingen op dit moment niet meer noodzakelijk is, nu klager sinds zijn aanhouding onbeperkt kon communiceren tot 5 februari 2014 en het Finse rechtshulpverzoek tot beperkingen pas toen werd ingediend. De belangen van klager bij opheffing van de beperkingen wegen zwaarder dan de belangen van het Openbaar Ministerie bij handhaving.
Daarom verklaart de rechtbank het bezwaar gegrond en heft zij de beperkingen op. De beschikking is gegeven op 28 februari 2014 door de raadkamer van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en heft de beperkingen opgelegd in overleveringsdetentie op.