Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 27 november 2012 van NWR, met producties
- het verstekvonnis van 8 mei 2013 waarbij [gedaagde] is veroordeeld tot betaling aan NWR van EUR 1,5 miljoen, met rente en kosten
- de verzetdagvaarding van [gedaagde] van 18 juli 2013, met producties
- het tussenvonnis van 23 oktober 2013 waarbij een comparitie van partijen is gelast
- het proces-verbaal van comparitie van 3 april 2014, met de daarin genoemde stukken, alsmede de brief met opmerkingen hierover van 23 april 2014 van de zijde van [gedaagde].
2.De feiten
- stichting NWR verkrijgt het 1/3 belang van IA in NCCW
- stichting NWR betaalt daarvoor met:
3.Het geschil
in conventie
- wijziging van de leningovereenkomst zodat hij op het moment van opeisbaar worden van de lening slechts EUR 150.000,-- aan NWR verschuldigd is;
- veroordeling van NWR tot opheffing van de gelegde executoriale beslagen op bankrekeningen aangehouden bij ABN Amro Bank en ING Bank, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,-- per dag;
- veroordeling van NWR tot betaling aan [gedaagde] van het reeds geëxecuteerde bedrag, voor zover bekend in ieder geval EUR 31.537,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van executie;