ECLI:NL:RBAMS:2014:4570

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 mei 2014
Publicatiedatum
25 juli 2014
Zaaknummer
13-706451-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs

De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een persoon door het schoppen tegen het scheenbeen, resulterend in een dwarse fractuur.

Tijdens de zittingen presenteerden zowel verdachte als de aangever verschillende versies van het incident. De aangever stelde dat verdachte hem onverwachts hard had geschopt, terwijl verdachte beweerde dat hij slechts reageerde op het gedrag van de aangever en dat het letsel op een andere wijze was ontstaan.

De rechtbank oordeelde dat de verklaringen tegenstrijdig waren en dat de bewijsvoering onvoldoende overtuigend was om verdachte te veroordelen. De getuigenverklaring van de echtgenote van de aangever werd kritisch beoordeeld vanwege mogelijke beïnvloeding en gebrek aan directe waarneming.

Gezien de twijfel aan de betrouwbaarheid van het bewijs en het niet kunnen uitsluiten van alternatieve scenario's, sprak de rechtbank verdachte vrij en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor zware mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/706451-13
Datum uitspraak: 23 mei 2014
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[naam 1],
geboren te [plaats] op [geboortedatum],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adresgegevens], en aldaar feitelijk verblijvende.
Het onderzoek ter terechtzitting
Dit verkorte vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van de politierechter op 5 april 2013 en de terechtzittingen op 7 maart 2014 en 9 mei 2014 van de meervoudige strafkamer.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C.J. Cnossen en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.W. Soeteman, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 2 september 2012 te [plaats] aan een persoon genaamd [naam 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een dwarse fractuur van het rechter scheenbeen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk één of meermalen (met kracht) (met zijn verdachtes geschoeide voet) op/tegen het (rechter)scheenbeen te schoppen en/of te trappen en/of te duwen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden
hij op of omstreeks 2 september 2012 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam 2]), één of meermalen (met kracht) (met zijn verdachtes geschoeide voet) op/tegen het (rechter)scheenbeen heeft geschopt en/of getrapt en/of geduwd, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (te weten een dwarse fractuur van het rechter scheenbeen), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.Waardering van het bewijs

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, het ten laste gelegde niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Zij overweegt daartoe als volgt.
Verdachte en de aangever hebben ieder een eigen versie van de gebeurtenissen. Volgens de aangever hebben hij en zijn vrouw zijn zus en haar dochters thuisgebracht. Aangever moest nodig plassen en heeft, nadat hij zich ervan heeft vergewist dat verder niemand in de buurt was, in de opening van het autoportier geplast. Plotseling werd hij aangevallen door verdachte die hem uiteindelijk zo hard heeft geschopt dat zijn scheenbeen brak. Tijdens de aanval heeft de aangever verdachte een paar klappen gegeven ter zelfverdediging.
Volgens verdachte echter is het heel anders gegaan. Hij heeft verklaard dat hij zag dat aangever naast een busje op straat stond te plassen, waardoor hij tevens het geslachtsdeel van de aangever kon zien. Verdachte zei daar iets van en werd vervolgens door de aangever geslagen en geschopt. Op enig moment werd de aangever teruggeroepen en sprong deze het busje in die vervolgens wegreed. Verdachte weet niet hoe de aangever aan de breuk in zijn scheenbeen is gekomen, maar verklaart dat de aangever in zijn razernij bij het schoppen van verdachte wellicht een daar aanwezig Amsterdammertje kan hebben geraakt, dan wel dat aangever de breuk kan hebben opgelopen toen hij wegrende en in het busje sprong. In ieder geval is het letsel bij aangever niet door hem veroorzaakt, aldus verdachte.
De rechtbank stelt vast dat deze weergaven van de gebeurtenissen niet allebei waar kunnen zijn. Van belang is derhalve of uit het dossier omstandigheden blijken die steun bieden voor een van de beide verklaringen. Ten aanzien van de verklaring van verdachte dient die vraag ontkennend te worden beantwoord. Zijn partner heeft weliswaar ter terechtzitting van 7 maart 2014 een verklaring afgelegd, doch zij bevond zich in de woning en is van het voorval zelf geen getuige geweest.
Ten aanzien van de verklaring van de aangever ligt het anders. Zijn echtgenote, [naam 3], bevond zich in het busje en had als getuige relevante feiten kunnen waarnemen. Zij heeft de verklaring van aangever bevestigd. Hierbij zijn echter naar het oordeel van de rechtbank de nodige kanttekeningen te plaatsen. Aangever heeft pas zes dagen na het incident aangifte gedaan. Beide echtelieden hebben derhalve geruime tijd de mogelijkheid gehad om hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Dat kan zelfs onbewust zijn gebeurd. Deze mogelijkheid doet onmiskenbaar afbreuk aan de bewijswaarde van de verklaring van de echtgenote van aangever. De rechtbank merkt in dit verband op dat de echtgenote van de aangever, ter terechtzitting als getuige gehoord, in eerste instantie heeft verklaard gezien te hebben dat verdachte de aangever heeft geschopt. Nadat zij daarover ter terechtzitting nadrukkelijk was doorgevraagd, bleek echter dat zij dit niet heeft gezien, maar dat zij een en ander heeft geconcludeerd. Ook de officier van justitie zag in, gelet op haar requisitoir, dat de getuige, wellicht onbewust, een eigen invulling heeft gegeven aan de gebeurtenissen.
De rechtbank komt tot de conclusie dat teveel ruimte voor twijfel is om tot een veroordeling te kunnen komen. Hierbij komt dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario voor het ontstaan van het letsel bij de aangever ook niet zonder meer uit te sluiten is. De rechtbank kan derhalve uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
Ten aanzien van de benadeelde partij
Nu aan verdachte – zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – geen straf of maatregel is opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij [naam 2] in de vordering niet-ontvankelijk is.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

4.Beslissing

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [naam 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Knol, voorzitter,
mrs. C.F. de Lemos Benvindo en Sj.A. Rullmann, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 mei 2014.