Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 augustus 2014 in de zaak tussen
[naam 1] en [naam 2], te Amsterdam, verzoekers
[vergunninghouder],te Amsterdam,
Rechtbank Amsterdam
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen een omgevingsvergunning verleend door het bestuursorgaan voor een aanbouw aan een woning in Amsterdam. De aanbouw heeft een diepte van 2,50 meter, wat vergunningsvrij is, maar overschrijdt met een hoogte van 4,6 meter de maximale vergunningsvrije bouwhoogte van 4 meter. Verzoekers betogen dat het beleid van het stadsdeel Zuid terughoudend is ten aanzien van bebouwing van binnentuinen en dat hun woongenot wordt geschaad door schaduwwerking.
De voorzieningenrechter overweegt dat de overschrijding van de bouwhoogte een afwijking van het bestemmingsplan betreft, maar dat het bestuursorgaan een kwalitatieve beoordeling mocht maken. De bezonningsstudie van het bestuursorgaan toont aan dat de extra schaduwwerking niet in ernstige mate de belangen van verzoekers schaadt. Het door verzoekers overgelegde rapport vermeldt slechts schaduwlengten zonder duur, wat onvoldoende is om het besluit te betwisten.
Ook de discussie over de lichtkoepel op het dak, die mogelijk de bouwhoogte verder overschrijdt, leidt niet tot een voorlopige voorziening; hierover dient het bestuursorgaan in bezwaar duidelijkheid te verschaffen. De voorzieningenrechter concludeert dat het spoedeisend belang is gegeven, maar dat de belangenafweging en het beleid geen aanleiding geven tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de aanbouw wordt afgewezen.