ECLI:NL:RBAMS:2014:5916

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 september 2014
Publicatiedatum
12 september 2014
Zaaknummer
C-13-542490 - HA ZA 13-582
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 237 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bij intrekking vordering zonder medewerking gedaagde en proceskostenveroordeling

Eiser heeft zijn vorderingen tegen TAF Asset 11 B.V. ingetrokken zonder medewerking van de gedaagde partij, die zich tegen deze intrekking verzette. De rechtbank oordeelt dat intrekking van een vordering alleen mogelijk is met instemming van alle procespartijen. Omdat eiser geen belang meer heeft bij zijn vorderingen, wordt hij niet-ontvankelijk verklaard.

De proceskostenveroordeling is het enige resterende geschilpunt. Eiser betoogt dat de kosten gecompenseerd moeten worden of berekend volgens het liquidatietarief, terwijl TAF volledige vergoeding vordert wegens vermeend misbruik van procesrecht door eiser. De rechtbank stelt dat volledige vergoeding alleen toewijsbaar is bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, wat hier niet is vastgesteld.

De rechtbank veroordeelt eiser daarom in de proceskosten aan de zijde van TAF tot een bedrag van €1.267,00, gebaseerd op het liquidatietarief. De gevorderde rente over de proceskosten wordt eveneens toegewezen. Het vonnis is gewezen door drie rechters en op 24 september 2014 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tegen TAF en veroordeeld in de proceskosten van €1.267,00.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/542490 / HA ZA 13-582
Vonnis van 24 september 2014
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats] ([land]),
eiser,
advocaat mr. A.A.H.J. Huizing te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TAF ASSET 11 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. K.J. Krzeminski te Rotterdam.
Partijen worden hierna [eiser] en TAF genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in incident van 9 april 2014 gewezen tussen [eiser] enerzijds en [naam 1], [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]), [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) en TAF anderzijds, waarbij de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] tegen [naam 1], [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en de zaak tegen TAF naar de rol heeft verwezen voor uitlating bij akte door [eiser] omtrent het verdere verloop van de procedure tegen TAF;
  • de akte uitlaten na tussenvonnis tevens houdende vermindering van eis van de zijde van [eiser] en
  • de antwoordakte van de zijde van TAF.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
De akte die [eiser] heeft genomen draagt het opschrift “akte uitlaten na tussenvonnis tevens houdende vermindering van eis”. In die akte stelt [eiser] dat hij zijn tegen TAF ingestelde vorderingen wenst “in te trekken, sans
préjudiceen derhalve zonder jegens TAF Asset 11 afstand van enig recht te doen”. TAF heeft zich verzet tegen intrekking dan wel eisvermindering omdat [eiser] daar een voorbehoud aan heeft verbonden.
2.2.
Nu TAF zich verzet tegen intrekking van de vorderingen van [eiser] jegens TAF kan op die manier geen einde komen aan de tussen partijen aanhangige procedure. Voor intrekking is immers de instemming van alle procespartijen noodzakelijk. Nu [eiser] echter te kennen heeft gegeven dat hij zijn vorderingen wenst in te trekken, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij die vorderingen, hetgeen gezien het bepaalde in artikel 3:303 BW Pro moet leiden tot niet-ontvankelijk verklaring.
2.3.
In geschil is dan nog alleen de proceskostenveroordeling.
2.4.
De vorderingen tegen TAF zijn, volgens [eiser], onlosmakelijk verbonden met die tegen [naam 1], [bedrijf 1] en [bedrijf 2]. Nu de rechtbank zich ten aanzien van laatstgenoemden onbevoegd heeft verklaard, lijken de vorderingen tegen TAF in de onderhavige procedure niet toewijsbaar. De proceskosten dienen te worden gecompenseerd tussen [eiser] en TAF, dan wel een proceskostenveroordeling van [eiser] dient te worden berekend aan de hand van het gebruikelijke liquidatietarief, aldus [eiser].
2.5.
TAF betoogt dat [eiser] is gehouden tot vergoeding van de volledige proceskosten van TAF, door TAF, na beperking, begroot op € 14.745,05. In de onderhavige procedure doen zich bijzondere omstandigheden voor die een integrale vergoeding van de proceskosten rechtvaardigen. [eiser] heeft TAF zonder rechtmatig belang, rauwelijks en zonder rechtsgrond, althans op basis van een voorshands ondeugdelijke grondslag, in rechte betrokken in een geschil waarin TAF geen partij was. [eiser] maakt misbruik van procesrecht en heeft op onrechtmatige en onredelijke wijze veroorzaakt dat TAF kosten heeft moeten maken in deze procedure, aldus TAF.
2.6.
De rechtbank overweegt dat de rechter bij een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet is gehouden het zogeheten liquidatietarief toe te passen. Een veroordeling in de werkelijk gemaakte kosten behoort derhalve tot de mogelijkheden. Een dergelijke vordering komt slechts voor toewijzing in aanmerking indien de aangesproken partij misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te vangen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM Pro (Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Deze maatstaf kan ook toepassing vinden bij de beantwoording van de vraag of er aanleiding bestaat de eisende partij te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten.
2.7.
De rechtbank zal [eiser] in de proceskosten ter hoogte van het liquidatietarief veroordelen. Voor een volledige proceskostenvergoeding bestaat onvoldoende aanleiding omdat aan het voorgaande (strenge) criterium niet is voldaan. Als de Nederlandse rechter rechtsmacht had gehad ten aanzien van de vorderingen jegens de oorspronkelijke medegedaagden (zie hiervoor onder “de procedure”) – wat niet zonder meer ondenkbeeldig is – dan zou de rechtbank inhoudelijk over die vorderingen hebben beslist en zou ook aan een beslissing over de vordering jegens TAF zijn toegekomen. Aldus was voor [eiser] niet al op voorhand duidelijk dat de vordering jegens TAF geen kans van slagen zou hebben. Het feit dat de beslissing over de rechtsmacht ten aanzien van de oorspronkelijke medegedaagden ertoe heeft geleid dat [eiser] nu geen belang meer heeft bij zijn vorderingen tegen TAF is onvoldoende om daarover anders te oordelen.
2.8.
De proceskosten aan de kant van TAF worden begroot op:
griffierecht € 589,00
advocaatkosten
€ 678,00(1,5 punten x tarief II ad € 452,00).
totaal € 1.267,00
Voor het bijwonen van het pleidooi op 25 februari 2014 worden geen advocaatkosten in rekening gebracht aangezien TAF op die zitting werd vertegenwoordigd door de advocaat van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (waarvoor in het vonnis in incident van 9 april 2014 al een proceskostenvergoeding is uitgesproken) en daarbij ten aanzien van TAF geen specifieke verweren naar voren zijn gebracht. De gevorderde rente over de proceskosten is als na te melden toewijsbaar.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens TAF;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van TAF tot op heden begroot op € 1.267,00, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag van de datum van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij vooraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, mr. L. Biller en mr. E.M.L.J. Dosker en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2014.