AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling aansprakelijkheid boedel voor huurschuld medehuurder na faillissement
In deze zaak vorderde ASR Dutch Core Residential Custodian B.V. ontbinding van de huurovereenkomst en betaling van achterstallige huur van de huurders, waaronder een curator namens de failliete huurder. De huurovereenkomst betrof een woning met parkeerplaats, waarbij de faillietverklaarde huurder medehuurder werd na faillissement vanwege zijn huwelijk en verhuizing.
ASR stelde dat de curator aansprakelijk was voor de huurschuld als boedelschuld op grond van artikel 24 enPro 39 Faillissementswet. De curator betwistte dit en voerde aan dat artikel 39 FWPro alleen ziet op contractuele huurderschap dat bestond vóór faillissement en dat de boedel niet aansprakelijk is voor schulden die na faillissement zijn ontstaan.
De kantonrechter oordeelde dat het medehuurderschap pas na faillissement is ontstaan en dat daardoor artikel 39 FWPro niet van toepassing is. Ook is de huurschuld geen boedelschuld omdat de boedel niet gebaat is bij de verbintenis. Daarom is de curator niet aansprakelijk en is de vordering tegen hem afgewezen. De proceskosten tegen de curator worden op nihil gesteld. De vordering tegen de andere huurders voor betaling van griffierecht wordt toegewezen, het overige meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: De vordering tegen de curator wordt afgewezen en de huurders worden veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 2802467 CV EXPL 14-4948
vonnis van: 11 september 2014
fno.: 178
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
ASR Dutch Core Residential Custodian B.V.
gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht
eiseres
nader te noemen: ASR
gemachtigde: A.J. Visser
t e g e n
1.
[naam gedaagde 1]
2.
[naam gedaagde 2]
beiden wonende te [plaats]
3.
[naam gedaagde 3]
in zijn hoedanigheid van curator van bovengenoemde [naam gedaagde 2]
kantoorhoudende te [plaats]
gedaagden gedaagden sub 1 en 2 niet verschenen
gemachtigde voor gedaagde sub 3: mr. S.C. Verlinden
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
dagvaarding met bewijsstukken van l0 februari 2014 van ASR
conclusie van antwoord met bewijsstukken van [naam gedaagde 3];
instructievonnis van 10 april 2014;
conclusie van repliek, tevens houdende vermindering van eis van ASR;
conclusie van dupliek van [naam gedaagde 3];
dagbepaling vonnis.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
1.
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:
1.1.
[naam gedaagde 1] huurt van ASR de woning aan [adres] met een parkeerplaats tegen een huur van € 1.166,00 per maand (huurprijs ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding).
1.2.
[naam gedaagde 2] is bij uitspraak van de Rechtbank Haarlem op 22 mei 2012 in staat van faillissement verklaard met aanvankelijk mr. J.J. van Deventer en sinds 22 februari 2013 [naam gedaagde 3] als curator.
1.3.
[naam gedaagde 2] had ten tijde van de faillietverklaring zijn hoofdverblijf te [plaats]. Na die datum is [naam gedaagde 2] verhuisd naar de door [naam gedaagde 1] gehuurde woning en toen op grond van zijn huwelijk met [naam gedaagde 1] van rechtswege medehuurder van die woning geworden.
Vordering
2.
Bij dagvaarding heeft ASR ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd met ontruiming van het gehuurde door [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2], met veroordeling van [naam gedaagde 3] om deze ontruiming te gehengen en te gedogen. Voorts hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een bedrag aan huurschuld met kosten en rente.
3.
Bij repliek heeft ASR haar vordering op gedaagden verminderd tot alleen nog betaling van het griffierecht en een bedrag aan salaris voor het opstellen van de conclusie van repliek.
4.
Ten aanzien van de verschenen gedaagde [naam gedaagde 3] stelt ASR zich op het standpunt dat het voor wat betreft de failliet [naam gedaagde 2] ging om een boedelschuld, zodat [naam gedaagde 3] terecht hiervoor is gedagvaard.
Verweer
5.
[naam gedaagde 3] betwist dat hij terecht is gedagvaard voor betaling van achterstallige huur. Hij meent dat artikel 39 FWPro alleen van toepassing is in geval van contractueel huurderschap hetgeen met zich meebrengt dat er geen aansprakelijkheid is van de boedel voor de ontstane huurschuld, nu de verplichting van de failliet is gebaseerd op een verbintenis uit de wet (art. 7:266 BWPro). Ook al zou dit anders zijn, dan nog is het zo dat artikel 39 FWPro als bijzondere bepaling van artikel 37 FWPro alleen ziet op overeenkomsten die bestaan ten tijde van de faillietverklaring en dus vóór datum faillissement. Het wettelijk medehuurderschap is evenwel pas na faillissement ingegaan. Voorts volgt uit het feit dat het gaat om een vordering die pas na faillissement is ontstaan, dat de boedel op grond van artikel 24 FWPro daarvoor niet aansprakelijk is, aangezien de boedel niet gebaat is als gevolg van de aangegane verbintenis, aldus [naam gedaagde 3].
Beoordeling
6.
Daargelaten of het ontstaan van hoofdelijke aansprakelijkheid uit medehuurderschap gelijk zou moeten worden gesteld aan het ontstaan van aansprakelijkheid uit een huurovereenkomst, in elk geval geldt dat artikel 39 FWPro als bijzondere bepaling van artikel 37 FWPro toepassing mist door de omstandigheid dat het medehuurderschap na faillissement is ontstaan. Dat betekent dat de onderhavige huurschuld waarvoor [naam gedaagde 2] als medehuurder hoofdelijk aansprakelijk is op grond van dit artikel hoe dan ook niet als boedelschuld kan gelden.
7.
Het tijdstip van ontstaan van de hoofdelijke aansprakelijkheid betekent bovendien dat de boedel niet aansprakelijk is op grond van artikel 24 FWPro. Het betreft hier, anders dan ASR meent, een verbintenis als gevolg waarvan de boedel niet is gebaat.
8.
Het voorgaande betekent dat de [naam gedaagde 3] als curator nodeloos is opgeroepen, zodat de vordering tot betaling van proceskosten tegen hem wordt afgewezen.
9.
Als in het ongelijk gestelde partij wordt ASR veroordeeld in de proceskosten van [naam gedaagde 3]. Aangezien uit ambtshalve ingesteld onderzoek is gebleken dat [naam gedaagde 3] procedeert via een kantoorgenoot, wordt [naam gedaagde 3] gelijk gesteld aan een in persoon procederende partij en om die reden worden de kosten gesteld op nihil.
10.
De vordering tot betaling van resterende proceskosten tegen [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] is toewijsbaar. Dit betreft alleen nog een bedrag aan griffierecht, daar de conclusie van repliek zich alleen tegen [naam gedaagde 3] richt. Gelet op het geringe resterende belang worden de kosten voor het overige gecompenseerd.
BESLISSING
De kantonrechter:
wijst de vordering tegen [naam gedaagde 3] af;
veroordeelt ASR in de proceskosten van [naam gedaagde 3], te stellen op nihil;
veroordeelt [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] tot betaling aan ASR van een bedrag van € 462,00 aan proceskosten en compenseert de proceskosten tussen die partijen voor het overige;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus gewezen door mr. C. von Meyenfeldt als kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.