De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 september 2014 de vordering tot overlevering van een persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Procureur des Konings te Antwerpen. De opgeëiste persoon had verzet ingesteld tegen het verstekvonnis waarop het EAB is gebaseerd, maar de rechtbank oordeelde dat dit verzet de grondslag van het EAB niet wijzigt, en dat het bevel gelezen moet worden als strekkende tot vervolging.
De rechtbank stelde vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de lijst van strafbare feiten vallen waarvoor geen toetsing van dubbele strafbaarheid vereist is, en dat voor de overige feiten wel aan de dubbele strafbaarheidsvereiste is voldaan. De opgeëiste persoon is een niet-EU onderdaan met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in Nederland, maar de rechtbank concludeerde dat zij niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en dat de garantie dat zij haar verblijfsrecht behoudt na overlevering niet vereist is.
Het proportionaliteitsverweer van de raadsman, dat de overlevering onevenredig zware gevolgen zou hebben vanwege haar langdurige verblijf in Nederland en familiebanden, werd verworpen. De rechtbank oordeelde dat de ernst van de verdenking en het stelsel van het Kaderbesluit een dergelijk beroep slechts onder bijzondere omstandigheden kan doen slagen, welke hier niet aanwezig zijn.
De rechtbank besloot dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden bestaan, zodat de overlevering aan België wordt toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.