De zaak betreft een geschil tussen de executeur van de nalatenschap van een investeerder en Opera Living, een vastgoedontwikkelaar, en haar bestuurder. De investeerder had geldleningen verstrekt aan Opera Living, die niet werden terugbetaald. De bestuurder werd verweten te hebben geweten of redelijkerwijs te hebben moeten weten dat Opera Living haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen.
De rechtbank stelde vast dat de bestuurder als deskundige projectontwikkelaar voldoende inzicht had in de financiële positie van Opera Living, waaronder de negatieve waarde van een rentederivaat (swap). Hij had nagelaten de investeerder hierover te informeren en toch nieuwe leningen afgesloten, wat een ernstig verwijt opleverde.
De vordering tot betaling van de leningen werd tegen Opera Living en de bestuurder toegewezen. Het beroep van overmacht door Opera Living werd verworpen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen omdat het verzuim vóór 1 juli 2012 was ingetreden.
Het verzet tegen het verstekvonnis werd grotendeels ongegrond verklaard, met uitzondering van de incassokosten. Zowel Opera Living als de bestuurder werden veroordeeld in de proceskosten van het verzet.