ECLI:NL:RBAMS:2014:6697

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 september 2014
Publicatiedatum
13 oktober 2014
Zaaknummer
AMS 13-7129
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslag op remigratieuitkering en medewerkingsplicht van de Sociale Verzekeringsbank

Eiseres, woonachtig in Turkije, ontvangt een remigratieuitkering waarop beslag is gelegd door een derde partij. De Sociale Verzekeringsbank (verweerder) heeft het beslag uitgevoerd door maandelijks een bedrag in te houden, zonder onderzoek te doen naar een beslagvrije voet. Eiseres stelde dat verweerder had moeten onderzoeken of de beslagvrije voet terecht op nihil was gesteld en dat zij niet vooraf geïnformeerd was over het beslag.

De rechtbank oordeelde dat het primaire besluit van verweerder een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is, maar dat verweerder juridisch gehouden is volledige medewerking te verlenen aan het beslag zonder de geldigheid of omvang daarvan te beoordelen. Dit voorkomt dat verweerder het oordeel van de civiele beslagrechter naast zich neerlegt.

De rechtbank benadrukte dat alleen de civiele rechter bevoegd is om bezwaren tegen het beslag te beoordelen. Eiseres kan haar bezwaren over het beslag voorleggen aan de civiele rechter. De bestuursrechter toetst het beslag niet inhoudelijk om tegenstrijdige uitspraken te voorkomen.

Ten aanzien van het niet informeren vooraf over het beslag oordeelde de rechtbank dat verweerder geen wettelijke verplichting had hiertoe en dat er geen sprake was van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het beslag op haar remigratieuitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 13/7129

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2014 in de zaak tussen

[eiseres],te [woonplaats], Turkije, eiseres
(gemachtigde: mr. U. Ugur),
en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: mr. K. Verbeek).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat beslag op haar remigratieuitkering is gelegd en dat aan dat beslag uitvoering zal worden gegeven.
Bij besluit van 23 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2014.
Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.1.
Eiseres woont in Turkije en ontvangt een remigratieuitkering van verweerder.
1.2.
Bij vonnis van 25 september 2001 heeft de rechtbank Almelo de vordering van [beslagene] van € 30.026,03 op eiseres en haar ex-echtgenoot toegewezen en hen veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij ten bedrage van € 1.146,56.
1.3.
Bij exploot van 2 juli 2013 heeft de deurwaarder op verzoek van [beslagene] onder verweerder executoriaal derdenbeslag gelegd op de remigratieuitkering van eiseres. De deurwaarder heeft de beslagvrije voet vastgesteld op nihil.
1.4.
Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat in verband met dit beslag met ingang van september 2013 iedere maand een bedrag van € 406,71 wordt afgetrokken van haar remigratievoorzieningen en straks van haar uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De totale beslagsom bedraagt € 48.221,50. Eiseres ontvangt daarom geen bedragen meer op haar rekening.
1.5.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat een ter uitvoering van een beslag op een uitkering genomen betalingsbeslissing een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beslagdebiteur kan bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voorleggen aan de civiele rechter. Eiseres kan alleen bezwaar maken tegen de beslaglegging indien zij meent dat verweerder het beslag op onjuiste wijze heeft uitgevoerd. Volgens verweerder is daar geen sprake van. Eiser kan geen bezwaar maken tegen de geldigheid van het beslag.
2.
2.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat ook bij mensen die in het buitenland wonen rekening moet worden gehouden met een beslagvrije voet. Verweerder had moeten onderzoeken of de beslagvrije voet terecht op nihil is gesteld. Verweerder gedraagt zich ten onrechte als een doorgeefluik en verliest de belangen van eiseres uit het oog. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft niet voor niets geoordeeld dat besluiten ter uitvoering van een gelegd beslag als een besluit in de zin van de Awb moeten worden aangemerkt. Dit betekent dat verweerder gehouden is om bij die besluitvoering de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel in acht te nemen. Eiseres meent dat verweerder dat in dit geval niet heeft gedaan. Dit klemt te meer nu verweerder eiseres niet eerst van het voorgenomen beslag op de hoogte heeft gesteld en/of in de gelegenheid heeft gesteld om zodanige informatie te verstrekken dat een beslagvrije voet berekend kan worden.
2.2.
De rechtbank stelt voorop dat het primaire besluit, waarbij verweerder ter uitvoering van een beslag een betalingsbeslissing heeft genomen, dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Raad van 31 juli 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:376). Dit is overigens ook niet in geschil.
2.3.
Dat sprake is van een besluit, zegt nog niets over de wijze waarop en de intensiteit waarmee dat besluit getoetst dient te worden. Daarvoor dient te worden gekeken naar de concreet van toepassing zijnde juridische context, die meer dan alleen de Awb beslaat.
2.4.
Waar het de concrete juridische context in dit geval betreft, is van belang dat een derde-beslagene (in dit geval verweerder) juridisch gehouden is om volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 juni 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM7280)). Als verweerder (als tot het nemen van besluiten bevoegd) die laatste beoordeling wel zou mogen verrichten, dan zou dat impliceren dat verweerder een oordeel van de (beslag)rechter naast zich zou mogen neerleggen. Dat zou een -in een rechtsstaat onaanvaardbare- uitholling betekenen van het gezag van rechterlijke oordelen.
2.5.
Niet alleen verweerder, ook de bestuursrechter dient uit te gaan van het oordeel van de beslagrechter. Zou de bestuursrechter daar wel een eigen oordeel over mogen vormen, dan ontstaat immers het risico van tegenstrijdige uitspraken van de civiele rechter en de bestuursrechter. Ook daarmee zou nut en gezag van rechterlijke oordelen worden ondergraven.
2.6.
Dat betekent overigens niet dat eiseres geheel machteloos staat ten opzichte van het gelegde beslag. Een beslagdebiteur (in dit geval eiseres) kan bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 van Pro het Rv voorleggen aan de civiele rechter.
2.7.
Ter zitting is gebleken dat de gemachtigde van eiseres de problematiek van de beslagvrije voet bij de deurwaarder heeft aangekaart, en dat deze poging ook succesvol is geweest. Ook praktisch bezien is er in de zaak van eiser dus geen noodzaak geweest voor een aanvullende rol van de bestuursrechter.
2.8.
Verweerder was dus niet gehouden een onderzoek te doen naar de beslagvrije voet. Dat betekent dat verweerder ook niet heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids- danwel vertrouwensbeginsel door geen nader onderzoek te doen naar de beslagvrije voet.
2.9.
Ten aanzien van de stelling van eiseres dat verweerder haar van het voorgenomen beslag op de hoogte had moeten stellen, overweegt de rechtbank als volgt. De gemachtigde van eiseres heeft geen specifieke wettelijke bepaling genoemd die door verweerder in dit opzicht zou zijn geschonden. Van een door eiseres gesteld handelen in strijd met één of meer algemene beginselen van behoorlijk bestuur is voorts geen sprake, nu verweerder, gelet op het voorgaande, ten aanzien van een gelegd beslag geen beslisbevoegdheid of afwegingsruimte toekomt (maar enkel een medewerkingsplicht heeft). Ook dit betoog van eiseres faalt.
2.10.
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling danwel een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Niersman, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
D: B
SB

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.