Uitspraak
1.Personeelsvertegenwoordiging Voorzet,
2.[verzoeker 1],
3.[verzoeker 2] ,
4.[verzoeker 3],
1.Voorzet B.V.,
2.Voorzet Arbeid B.V.,
4. Voorzet Behandeling B.V.,
De commissie constateert op basis van de stukken voorts dat het aantal medewerkers dat bij de organisatie werkzaam is, zodanig is dat de instelling van een OR op grond van de WOR verplicht is. Daarbij komt dat er voldoende belangstelling lijkt te bestaan onder het personeel voor het instellen van een OR. Het vorenstaande klemt naar het oordeel van de commissie temeer omdat er op dit moment diverse complexe vraagstukken binnen de organisatie spelen waarin in meerdere of mindere mate een rol voor de medezeggenschap is weggelegd. Die medezeggenschap dient dan wel te zijn geregeld op het niveau en volgens de eisen die de WOR daaraan stelt. Door de medezeggenschap ten aanzien van deze vraagstukken, waarmee ook andere organisaties worden geconfronteerd, niet op het niveau te stellen dat de WOR vereist, kan bovendien het level playing field tussen deze organisaties worden doorbroken.”
“ 1.De ondernemer die twee of meer ondernemingen in stand houdt waarin tezamen in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn stelt voor alle of voor een aantal van die ondernemingen tezamen een gemeenschappelijke ondernemingsraad in indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van deze wet in de betrokken ondernemingen.
2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van in een groep verbonden ondernemers, die twee of meer ondernemingen in stand houden, waarin tezamen in de regel ten minste 50 personen werkzaam zijn.”
Ingevolge artikel 1 d WOR is ondernemer: “de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een onderneming in stand houdt.”