ECLI:NL:RBAMS:2014:684
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Op de crediteurenlijst staan het CJIB en de Belastingdienst met aanzienlijke vorderingen. De vordering van het CJIB vloeit voort uit een onherroepelijke veroordeling tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op strafrechtelijke veroordelingen wegens medeplegen van het opzettelijk overtreden van de wet inzake wisselkantoren en deelname aan een criminele organisatie.
De rechtbank stelt vast dat de vordering van het CJIB een afwijzingsgrond vormt op grond van artikel 288 lid 2 sub c Faillissementswet Pro, omdat de veroordeling onherroepelijk is geworden langer dan vijf jaar voor het verzoek. Gezien de ernst van de feiten en de hoogte van het bedrag ziet de rechtbank aanleiding een langere termijn in acht te nemen.
Daarnaast heeft de Belastingdienst vorderingen die grotendeels zijn ontstaan door het niet aangeven van inkomsten uit misdrijf. Verzoeker heeft niet gemotiveerd weersproken dat hij onder een valse naam heeft geprobeerd de invordering te frustreren. Dit leidt tot het oordeel dat verzoeker niet te goeder trouw was, zoals vereist in artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro.
Gezien deze omstandigheden en het ontbreken van gronden voor toepassing van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro wijst de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen vanwege ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en het ontbreken van goed vertrouwen bij belastingschulden.