De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot uitlevering van een persoon aan Zwitserland wegens verdenking van strafbare feiten. De opgeëiste persoon ontkende betrokkenheid en voerde een onschuldverweer aan, ondersteund door schriftelijke verklaringen van getuigen die stelden dat hij op de dag van het feit in Nederland verbleef.
De rechtbank oordeelde echter dat deze verklaringen onvoldoende waren om onschuld onverwijld aan te tonen. Er was geen diepgaand onderzoek mogelijk naar de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen, omdat het strafdossier en objectieve gegevens ontbraken. Dit bewijsverweer behoort volgens de rechtbank tot de inhoudelijke beoordeling door de Zwitserse rechter.
Daarnaast toonden dactyloscopische gegevens en een foto aan dat de opgeëiste persoon inderdaad degene was die Zwitserland wilde uitleveren. De rechtbank verwierp het verweer van persoonsverwisseling met de broer van de opgeëiste persoon.
Gelet op de naleving van de wettelijke en verdragsrechtelijke voorwaarden verklaarde de rechtbank de uitlevering toelaatbaar. De opgeëiste persoon kan binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.