ECLI:NL:RBAMS:2014:8981
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige verblijfplaats minderjarige bij vader ondanks lopende Noorse procedure
De zaak betreft een geschil tussen ouders over de verblijfplaats van hun minderjarige kind, dat sinds de zomervakantie 2014 bij de vader in Nederland verblijft, terwijl de moeder met het kind in Noorwegen woont. De vader heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening betreffende de verblijfplaats van de minderjarige. De moeder voerde primair onbevoegdheid van de voorzieningenrechter aan en subsidiair weigering van de gevraagde voorzieningen.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 10:113 en Pro 10:114 BW en artikel 8 van Pro Verordening Brussel II bis de Noorse rechter bevoegd is om over de hoofdverblijfplaats te beslissen, omdat sprake is van een lopende procedure en de vader zich formeel schuldig heeft gemaakt aan kinderontvoering door het kind niet terug te brengen naar Noorwegen. De uitzondering op de uitzondering van artikel 10 van Pro de verordening, waarbij de gezaghebbende ouder in het niet terugkeren zou berusten, is niet van toepassing.
Desondanks is de Nederlandse voorzieningenrechter op grond van artikel 20 van Pro de verordening bevoegd om een voorlopige voorziening te treffen over de verblijfplaats van de minderjarige, omdat er een spoedeisend belang bestaat en het kind feitelijk in Nederland verblijft. Partijen bereikten overeenstemming dat het kind voorlopig bij de vader blijft totdat de bodemprocedure in Noorwegen is afgerond.
De voorzieningenrechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, compenseerde de proceskosten tussen partijen en wees het meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: De minderjarige krijgt voorlopig verblijf bij de vader totdat de hoofdverblijfplaats in Noorwegen is beslist.