De rechtbank Amsterdam behandelde op 28 februari 2014 een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Finland op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 10 december 2013. De verdachte werd verdacht van ernstige strafbare feiten waaronder fraude en medeplegen van misbruik van een openbaar ambt.
De verdediging voerde aan dat het geschil zuiver civielrechtelijk was en dat er geen sprake was van strafbare feiten, met name omdat het zou gaan om een precontractuele dwaling bij de levering van apparatuur aan de Finse overheid. De officier van justitie stelde daartegenover dat de fraude betrekking had op het misleiden van de Finse politie door het verbergen van de financiering van het bedrijf dat de apparatuur leverde, waardoor de betrouwbaarheid van opsporingsapparatuur in het geding was.
De rechtbank oordeelde dat het beginsel van wederzijdse erkenning tussen lidstaten inhoudt dat de strafbaarheid van de feiten in Finland wordt aangenomen, tenzij er sprake is van een evidente tegenstrijdigheid, welke hier niet aanwezig was. Ook het verweer dat het handelen van de verdachte naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn, werd verworpen omdat het handelen kwalificeert als medeplegen of medeplichtigheid.
De rechtbank concludeerde dat aan alle voorwaarden voor overlevering was voldaan, waaronder de strafbaarheid van de feiten in beide landen en het voldoen aan de wettelijke eisen van de Overleveringswet. De overlevering werd daarom toegestaan en de uitspraak is onherroepelijk.