Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
BESCHIKKING
ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden(hierna: de Wet) van:
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde het bezwaar van een veroordeelde tegen de afname en opname van zijn DNA-profiel in de databank na een veroordeling voor medeplegen van valsheid in geschrift, oplichting en witwassen. De DNA-afname was bevolen op grond van het vonnis waarbij de veroordeelde een gevangenisstraf van 8 maanden kreeg opgelegd.
De verdediging voerde aan dat de feiten, met name oplichting en witwassen, onder de uitzonderingen van artikel 2 van Pro de Wet DNA-onderzoek vallen, omdat doorgaans geen celmateriaal wordt achtergelaten bij deze delicten. De officier van justitie stelde dat de strafmaat en het feit dat het OM het bevel gaf relevant waren.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de feiten vallen onder de categorie misdrijven waarvoor DNA-afname mogelijk is, de aard van het concrete delict (hypotheekfraude met valse documenten) maakt dat DNA-onderzoek niet redelijkerwijs van belang is voor opsporing of berechting. Er is geen sprake van een concreet recidivegevaar dat DNA-afname zou rechtvaardigen.
Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar gegrond en beval de vernietiging van het afgenomen celmateriaal. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname is gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.