Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker
de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.
Rechtbank Amsterdam
Verzoeker, sinds 1993 werkzaam als geestelijk verzorger bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), werd ontslagen omdat hij niet langer voldeed aan de benoembaarheidseisen. Dit volgde op het intrekken van de goedkeuring door een van de drie zendende religieuze instanties, wat volgens verweerder leidde tot het ontbreken van een geldige zendingsbrief zoals vereist in het ARAR en de Richtlijnen voor aanstellingsprocedures.
Verzoeker betoogde dat hij nog steeds in het bezit was van een zendingsbrief van een andere instantie en dat het wegvallen van één goedkeuring niet automatisch tot ontslag mocht leiden. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verweerder terecht de brieven van de drie instanties gelijkstelde aan een zendingsbrief en dat het ontbreken van instemming van één instantie betekent dat niet langer aan de benoembaarheidseisen wordt voldaan.
Daarnaast stelde verweerder dat het vertrouwen in verzoeker was verloren en dat de arbeidsrelatie ernstig verstoord was, maar de voorzieningenrechter vond de onderbouwing hiervan voorlopig onvoldoende. Gelet op het feit dat verzoeker deels arbeidsongeschikt was en verweerder een uitkering had toegekend, woog het belang van verweerder bij directe uitvoering van het ontslagbesluit zwaarder dan het belang van verzoeker.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen aanleiding was voor het treffen van een voorlopige voorziening en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het ontslag is afgewezen.