Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
5.Bewezenverklaring
6.Strafbaarheid van de feiten
7.Strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straf en maatregelen
d.d. 16 januari 2014 waaruit blijkt dat verdachte op 20 maart 2012 en 7 september 2010 door de kinderrechter te Haarlem in verband met vermogensdelicten is veroordeeld tot voorwaardelijke werkstraffen. Verder is verdachte in 2012 tweemaal veroordeeld door de kantonrechter te Haarlem in verband met overtreding van de Leerplichtwet.
- rapporten van de Raad opgemaakt op 31 mei 2013 en 6 februari 2014;
- een rapport van het Klinisch Multidisciplinair onderzoek (ForCA) opgemaakt op 29 november 2013 door [naam 4], GZ-psycholoog, en [naam 3], psychiater, beiden verbonden aan Forensisch centrum [A]. Dit rapport is aangevuld op 5 februari 2014.
enigszins verminderd toerekeningsvatbaarte achten voor de gijzeling, indien bewezen. De overval kon niet met Verdachte worden besproken. Er zijn echter geen aanwijzingen dat hier, indien bewezen, sprake zou kunnen zijn geweest van een geheel andere dynamiek. Gemeten met de Savry komt het risico op recidive uit op 'matig'. Verdachte heeft zich tot nu toe systematisch onttrokken aan begeleiding en behandeling, heeft weinig pro sociale steun, accepteert geen gezag, voelt zich aangetrokken tot crimineel gedrag en is zelfbepalend. Dit zijn factoren die het recidiverisico aanzienlijk verhogen. Daar staat tegenover dat zich geen vroege verstoring in de opvoedingssituatie heeft voorgedaan en dat geen vroeg gewelddadig en/of crimineel gedrag werd geconstateerd. Verdachte heeft thuis geen geweld gezien en zijn ouders hebben geen criminele achtergrond, hetgeen het recidiverisico matigt. Verdachte identificeert zich met een negatieve 'peergroup' en laat zich door deze groep makkelijk beïnvloeden. De relatie van verdachte met zijn ouders is beschadigd. De ouders zijn zeer welwillend, maar in de loop van de tijd ook pedagogisch onmachtig geraakt. Hun gezag wordt door verdachte niet geaccepteerd. De negatieve factoren zoals genoemd beïnvloeden en versterken elkaar. De persoonlijkheid van verdachte lijkt reeds dusdanig geconsolideerd te zijn, dat onderzoekers moeite hebben gehad aanknopingspunten te vinden voor behandeling. De ontwikkelingsmogelijkheden van verdachte staan wat hen betreft op 'twee voor twaalf'. De antisociale persoonlijkheidsstoornis kenmerkt zich door een beperkte behandelbaarheid. Voorts is bij verdachte weinig behandelmotivatie aanwezig. Interventies liepen ook in het verleden al steeds spaak. Verdachte voelt met betrekking tot zijn ontwikkeling en volwassenwording weinig eigen verantwoordelijkheid en ziet geen echte noodzaak te veranderen. Dat maakt hem minder geschikt voor behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden of een GBM. Controle en toezicht zijn van groot belang om het gedrag van verdachte in de toekomst bij te sturen. Verdachte is in staat om in cognitieve zin te leren van regels en grenzen. Dit pleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Verblijf in een JJI heeft echter als nadeel en risico dat verdachte zich kan verschansen in schijnaanpassing en ondertussen veel bijleert op crimineel vlak. Een behandeling gericht op de intra- en interpsychische componenten van de problematiek zou meer zoden aan de dijk kunnen zetten. Verdachte kan dan leren wat het betekent relaties aan te gaan, verantwoordelijkheid te nemen voor de wederkerigheid daarvan en adequaat om te gaan met emotionele reacties en moraliteit. Dit pleit voor een meer op therapie gerichte deeltijd behandeling die dan bovendien ruimte laat voor verdachte om zijn opleiding te vervolgen en zijn toekomst vorm te geven. Zo'n behandeling zou vorm kunnen krijgen in het kader van een PIJ-maatregel met voorwaarden en tot uitvoering kunnen worden gebracht bij [psychiatrisch centrum 1] in [plaats 3]. Onderzoekers vinden het moeilijk te bepalen of het juridische kader van de PIJ-maatregel met voorwaarden voldoende houvast en motivatie biedt om van behandeling een succes te kunnen maken, maar zijn aan de andere kant van mening dat daarmee mogelijk wel recht wordt gedaan aan de ontwikkelingsmogelijkheden die verdachte nog resten. Onderzoekers adviseren verdachte – indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht – te doen behandelen in het kader van een PIJ-maatregel, maar kunnen vooralsnog geen uitspraak doen over de vraag of zou kunnen worden volstaan met behandeling in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Verdachte kan voorwaarden aan, maar dat is op zichzelf geen garantie voor succes. De in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel voorgestelde behandeling vereist een forse investering van verdachte en zijn toekomstige behandelaren. Oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel leidt evenmin automatisch tot afname van het recidiverisico. Dit zou zelfs wel eens verhoogd kunnen worden. Het bestaan van dit dilemma houdt mede verband met de beperkte medewerking van verdachte aan het onderzoek in [A]. Onderzoekers hebben overwogen te adviseren het meerderjarigenstrafrecht toe te passen gezien de mate van consolidatie van de persoonlijkheid van Verdachte. Zij zijn echter na ampele overwegingen tot de conclusie gekomen dat volwassenendetentie niet in het belang is van verdachte. Volwassenendetentie zou wat er nog rest aan ontwikkelingsmogelijkheden ongebruikt laten. Voorts geldt ook hier - evenals met betrekking tot plaatsing in een JJI – dat het recidiverisico wellicht eerder toeneemt dan daalt, doordat verdachte bijleert van medegedetineerden. Onderzoekers blijven - ook in het licht van de aanvullende tenlasteleggingen - van mening dat oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel niet tot afname van het recidiverisico op de lange termijn hoeft te leiden en met het oog op de stoornis van betrokkene zelfs verhoogd zou kunnen worden.
Bij alle maatregelen betreffende het kind (…) vormen de belangen van het kind de eerste overweging’,
on the applicability of adult criminal law to children over 16 years of age.’
children in conflict with the law between the ages of 16 and 18 may be sentenced as adults.’
repression/retributionals doel hebben.
dat de persoonlijkheid van verdachte reeds dusdanig geconsolideerd lijkt te zijn, dat onderzoekers moeite hebben gehad aanknopingspunten te vinden voor behandeling. De ontwikkelingsmogelijkheden van verdachte staan wat hen betreft op 'twee voor twaalf'. De antisociale persoonlijkheidsstoornis die verdachte heeft ontwikkeld, kenmerkt zich door een beperkte behandelbaarheid. Voorts is bij verdachte weinig behandelmotivatie aanwezig. Interventies liepen ook in het verleden al steeds spaak. Verdachte voelt met betrekking tot zijn ontwikkeling en volwassenwording weinig eigen verantwoordelijkheid en ziet geen echte noodzaak te veranderen. Dat maakt hem minder geschikt voor behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden of een GBM. Controle en toezicht zijn van groot belang om het gedrag van verdachte in de toekomst bij te sturen. Verdachte is in staat om in cognitieve zin te leren van regels en grenzen”.De rechtbank acht het gelet op deze overwegingen in het belang van de maatschappij en van verdachte zelf dat hij onvoorwaardelijk wordt behandeld in de Justitiële Jeugdinrichting. Weliswaar bestaat er een kans op verharding indien verdachte in een gesloten setting wordt behandeld, maar de rechtbank is van oordeel dat de kans hierop niet opweegt tegen het mislukken van een ambulant behandeltraject.
gestolen kasgeld’ zal gelet hierop voor dat bedrag worden afgewezen.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
18 (achttien) maanden.
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
[bedrijf A]/ [slachtoffer 3] toe tot € 1.632,88 (duizend zeshonderd tweeëndertig euro en achtentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
[slachtoffer 2]toe tot € 1.742,13 (duizend zevenhonderd tweeënveertig euro en dertien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
[slachtoffer 1]toe tot € 5.805,73 (vijfduizend achthonderd vijf euro en drieënzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Albert Heijntoe tot € 356,70 (driehonderd zesenvijftig euro en zeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
[slachtoffer 7]toe tot € 1.580,00 (duizend vijfhonderd en tachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
[slachtoffer 6]toe tot € 1.515,60 (duizend vijfhonderdvijftien euro en zestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
AF.