Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
Uit het arrest van 27 mei 2014 blijkt dat het Gerechtshof expliciet heeft overwogen en beslist dat het hof de stellingen van [eiser] dat er sprake is van een huurovereenkomst betreffende [adres 2] en dat dat deel van het gehuurde onlosmakelijk verbonden is met [adres 1]te Amsterdam heeft gevolgd, op grond waarvan het hof heeft geoordeeld dat de vordering geacht wordt ook op [adres 2] betrekking te hebben. Het hof heeft hierbij expliciet vermeld dat gelet op het feit dat [adres 2] onderdeel is van [adres 1], in het arrest kortheidshalve verder slechts over [adres 1] zal worden gesproken. Het voorgaande betekent dat ook in het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014 onder het gehuurde niet alleen [adres 1] te Amsterdam moet worden begrepen, maar ook [adres 2], zodat er sprake is van een ontruimingstitel betreffende beide perceelgedeelten.”
3.Het geschil
4.De beoordeling
Ontvankelijkheid
816,00