De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering ingevolge een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Regional Court in Elbląg, Polen. De opgeëiste persoon werd verdacht van negen strafbare feiten betreffende illegale handel in verdovende middelen. Tijdens de zitting voerde de opgeëiste persoon onschuldverweer en stelde dat hij vrijwel de gehele periode waarin de feiten zouden hebben plaatsgevonden in Nederland aan het werk was.
De raadsman van de opgeëiste persoon verzocht primair om weigering van overlevering en subsidiair om aanhouding van de procedure om nadere gegevens over de data van de vermeende feiten te verkrijgen. De rechtbank wees dit verzoek af omdat de overleveringsprocedure geen ruimte biedt voor aanhouding voor nader onderzoek van het onschuldverweer. De opgeëiste persoon diende zijn onschuld tijdens het verhoor aan te tonen, wat volgens de rechtbank niet was gelukt.
De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat er geen weigeringsgronden zijn. De feiten zijn strafbaar gesteld in Polen met een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaar. De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan en wees het verzoek tot aanhouding af. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.