ECLI:NL:RBAMS:2015:6672

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 oktober 2015
Publicatiedatum
5 oktober 2015
Zaaknummer
13/702250-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 lid 2 SvArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 45 SrArt. 311 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vernieling van personenauto na nietigverklaring poging tot diefstal

De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van poging tot diefstal met braak en subsidiair vernieling van een personenauto. De tenlastelegging voor poging tot diefstal voldeed niet aan de wettelijke eisen omdat feitelijke gedragingen ter uitvoering van het misdrijf ontbraken, waardoor dit deel nietig werd verklaard.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte op 23 juni 2015 opzettelijk en wederrechtelijk de ruit van een personenauto met een Duits kenteken had ingeslagen. De auto behoorde aan een ander dan verdachte. Dit subsidiaire feit werd als strafbaar aangemerkt en verdachte werd daarvoor strafbaar verklaard.

De officier van justitie had een taakstraf van 60 uur geëist, maar de rechtbank legde een lagere straf op vanwege het ontbreken van een bewezen vermogensdelict. De opgelegde straf bestond uit een taakstraf van 40 uur met een bevel en een vervangende hechtenis van 20 dagen voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt uitgevoerd.

De rechtbank benadrukte dat vernieling van een auto een ernstig feit is gezien de waarde van het goed en de overlast die het veroorzaakt. Het vonnis werd uitgesproken op 1 oktober 2015 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 40 uur taakstraf en 20 dagen vervangende hechtenis voor vernieling van een personenauto.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS
Parketnummer: 13/702250-15
Datum uitspraak: 1 oktober 2015
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres, te plaats] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

1.1.
Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2015.
1.2.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K.F.E. den Hartog, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.J.J. van Rijsbergen, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat
hij op of omstreeks 23 juni 2015, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een personenauto (met het Duitse kenteken [kenteken 1] ) weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn, verdachte's, gading, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, en zich daarbij de toegang tot die personenauto te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn,
verdachte's gading, onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking;
subsidiair:
hij op of omstreeks 23 juni 2015, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (met het Duitse kenteken [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en aldaar opzettelijk en wederrechtelijk (met kracht) met een hard en/of scherp voorwerp de ruit van die personenauto heeft ingegooid en/of ingeslagen.

3.Voorvragen

De rechtbank stelt vast de officier van justitie verdachte verwijt zich te hebben schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met braak. De tenlastelegging houdt evenwel geen feitelijke gedragingen in die verdachte zou hebben begaan ‘ter uitvoering’ van het door hem ‘voorgenomen’ misdrijf. Bij een beschuldig ter zake poging van een strafbaar feit mogen juist de feitelijke omstandigheden, op grond waarvan die poging zou kunnen worden bewezen, niet ontbreken. De tenlastelegging voldoet hiermee niet aan de eisen van artikel 261, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en zal daarom, wat betreft het primair tenlastegelegde, partieel nietig worden verklaard.
De dagvaarding is voor het overige geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
ten aanzien van het subsidiaire feit:
op 23 juni 2015 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto met het Duitse kenteken [kenteken 1] , toebehorende aan [persoon 1] , heeft beschadigd door een ruit van die personenauto in te slaan.

5.Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar onder het primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van dertig dagen.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de vernieling van een auto. Dit betreft echter niet louter zaakbeschadiging, omdat uit de bewijsmiddelen kan volgen dat het verdachte om goederen in de auto was te doen. Slechts vanwege een onvolledige tenlastelegging komt de rechtbank niet toe aan een veroordeling voor een vermogensdelict. Niettemin zal de rechtbank vanwege de bewezenverklaring van ‘slechts’ een vernieling een lagere straf opleggen, dan zou passen bij een vermogensdelict. Eén en ander neemt overigens niet weg dat ook vernieling een hinderlijk en overlast gevend feit is waarmee verdachte geen enkel respect heeft getoond voor andermans eigendom. Bovendien betreft een auto een zeer kostbaar bezit, hetgeen evenzeer meeweegt bij het bepalen van de strafmaat. Een werkstraf is in dit geval dan ook de meest passende straf. Slechts wat betreft de duur daarvan ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van hetgeen de officier van justitie heeft geëist.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 45, 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften zijn van toepassing zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte feit.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit nietig.
Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het subsidiaire feit:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafbestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van
40 (veertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Piena, voorzitter,
mrs. H.E. Spruit en R.A.J. Hübel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 oktober 2015.