ECLI:NL:RBAMS:2015:6694

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 januari 2015
Publicatiedatum
5 oktober 2015
Zaaknummer
HA RK 11.2015
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 RvArt. 41 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verschoning rechter wegens donaties aan stichting

In een civiele procedure tussen een partij en De Nederlandsche Bank N.V. heeft de rechter, tevens secretaris van een stichting, een verzoek tot verschoning ingediend. Dit verzoek was gebaseerd op de ontdekking dat een partij in de procedure meerdere kleine donaties had gedaan aan de stichting waarvan de rechter bestuurder is.

De rechtbank heeft zonder mondelinge behandeling het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 40 en Pro 41 Rv. Uitgangspunt is de onpartijdigheid van de rechter, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.

De rechtbank concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat de rechter vooringenomen is. De donaties zijn bekend gemaakt aan beide partijen en kunnen niet worden aangemerkt als poging tot beïnvloeding. Indien de donaties filantropisch zijn, is er geen reden tot vrees. Indien de donaties bedoeld zouden zijn om onpartijdigheid te ondermijnen, wordt dit niet geaccepteerd.

Daarom is het verzoek tot verschoning afgewezen wegens gebrek aan voldoende zwaarwegende feiten die de onpartijdigheid van de rechter zouden kunnen schaden.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter is afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beschikking op het onder rekestnummer HA RK 11.2015 ingeschreven verzoek tot verschoning van:
Mr. R.A. DUDOK VAN HEEL, rechter in de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1
Bij de afdeling Privaatrecht van de Rechtbank te Amsterdam is onder zaaknummer [ ] een civiele procedure aanhangig tussen de heer [ ] en De Nederlandsche Bank N.V. (DNB).
1.2
In deze zaak heeft op 7 januari 2015 ten overstaan van de rechter een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij partijen en hun advocaten aanwezig waren. De zaak staat op de rol van 25 februari 2015 voor vonnis.

2.Het verzoek

De rechter heeft aan haar verzoek het volgende ten grondslag gelegd. De rechter is bestuurder (secretaris) van de stichting Stichting [ ] (hierna: de
stichting). Deze nevenfunctie staat vermeld in het register nevenfuncties van rechters. Daags na de zitting van 7 januari 2015 heeft de administrateur van de stichting
de rechter ongevraagd bericht dat de stichting een aantal donaties had ontvangen, onder meer van een zekere [ ]. De administrateur noemde dit “een vreemd geval”, omdat het vele kleine overschrijvingen betrof. Deze donateur bleek (ook) de voorletters ‘[ ]’ te hebben. De rechter verwijst naar een door haar overgelegd overzicht van alle overschrijvingen afkomstig van [ ] naar de rekening van de stichting in de periode van 4 december 2014 tot en met 12 januari 2015, waaruit volgt dat in die periode door [ ] 38 betalingen ad in totaal € 143,90 op rekening van de stichting zijn gedaan. De rechter vermoedt dat de persoon met de naam [ ] die de bedragen heeft overgeschreven naar de rekening van de stichting, dezelfde [ ] is die partij is in de procedure met zaaknummer [ ]. Op die grond meent de rechter dat sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en verzoekt de rechter zich op de voet van artikel 40 Rv Pro te mogen verschonen.

3.De beoordeling van het verzoek

3.1
Uit artikel 41 Rv Pro volgt dat de behandeling van een verzoek tot verschoning, anders dan de behandeling van een wrakingsverzoek, niet ter terechtzitting behoeft plaats te vinden. De rechtbank zal daarom zonder mondelinge behandeling een beslissing nemen op het verzoek.
3.2
Bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid zou kunnen koesteren, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd zou kunnen zijn.
3.3
Dat de rechter jegens een van partijen vooringenomen zou zijn is gesteld noch gebleken. De vraag is dan of de omstandigheid dat [ ] genoemde betalingen heeft gedaan op de rekening van de stichting waarvan de rechter secretaris is, bij een van partijen de objectief gerechtvaardigde vrees kan doen ontstaan dat de rechter niet onpartijdig is. Dat is hier niet het geval.
3.4
De rechtbank stelt allereerst vast dat met de onderhavige beschikking alle ten deze relevante feiten en omstandigheden ter kennis van beide partijen zijn gebracht en dat dus voor beide partijen volstrekt helder is dat genoemde betalingen op de rekening van de stichting zijn gedaan, wat de betrokkenheid van de rechter bij de stichting is en wat het standpunt van de rechter is ter zake van die betalingen.
Vervolgens geldt dat indien de [ ] die de betalingen aan de stichting heeft gedaan niet dezelfde is als de partij [ ], er geen verband is met de door de rechter behandelde zaak en er dus geen gronden voor verschoning zijn. Indien de betalingen aan de stichting wèl afkomstig zijn van partij [ ], zijn deze ofwel gedaan op zuiver filantropische gronden - in welk geval geen beïnvloeding van de rechter is beoogd of gebleken - ofwel gedaan met het oogmerk feiten en omstandigheden te creëren waarmee de rechterlijke onpartijdigheid kan worden ondergraven om aldus te verhinderen dat de rechter de behandeling van de onderhavige zaak voortzet. Een dergelijke opzet kan en mag niet worden gehonoreerd.
3.5
Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van voldoende zwaarwegende feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek van de rechter zich te mogen verschonen zal om die reden bij gebreke van een voldoende grondslag worden afgewezen.
BESLISSING:
De rechtbank:
 wijst het verzoek tot verschoning af;
 beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 41 lid 2 Rv Pro wordt toegezonden aan:
 de advocaat van partij [ ], mr. Y. Ersoy advocaat te Amsterdam;
 de advocaat van de Nederlandsche Bank, mr. drs. H.J.S.M. Langbroek advocaat te Amsterdam;
 de rechter, mr. R.A. Dudok van Heel.
Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter en mrs. A.W.J. Ros en A.W.H. Vink, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 41 lid 3 Rv Pro geen voorziening open.