ECLI:NL:RBAMS:2015:6814

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2015
Publicatiedatum
7 oktober 2015
Zaaknummer
HA RK 188.2015
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 RvArt. 39 lid 1 RvArt. 39 lid 5 RvArt. 1 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens gebrek aan concrete gronden en misbruik van recht

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rolrechter mr. L. van Berkum in een lopende civiele zaak, met het verzoek het instructievonnis aan te houden totdat de nieuwe president van de rechtbank Amsterdam kennis had genomen van een door verzoeker ingediende corruptiezaak en strafklacht.

De rechtbank beoordeelde dat wraking slechts mogelijk is bij concrete feiten die vooringenomenheid van de rechter aantonen of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor scheppen. Het verzoek bevatte geen dergelijke concrete argumenten tegen de rechter.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was en dat het middel van wraking door verzoeker lichtvaardig en zonder kenbare grondslag werd ingezet, wat misbruik van recht opleverde. Daarom werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.

De beslissing werd genomen door de rechtbank Amsterdam op 30 juni 2015, waarbij geen voorziening tegen deze beschikking openstaat.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen wegens gebrek aan concrete gronden en misbruik van recht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het bij brief van 18 juni 2015 gedane en onder nummer C/15/588898/ HA RK 188.2015 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. L. van Berkum, in haar hoedanigheid van rolrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1
Verzoeker is partij in een bij de rechtbank, team kantonzaken, onder zaaknummer [ ] ingeschreven zaak.
1.2
De zaak stond op 19 juni 2015 op de rol voor het wijzen van een (instructie)vonnis.
1.3
Op 18 juni 2015 heeft verzoeker een verzoek tot wraking van de rechter ingediend. Tot het verzoek behoort onder meer een aan de rechter gerichte brief van 18 juni 2015 waarin verzoeker de rechter heeft verzocht zijn zaak voor 4 a 6 weken aan te houden voor nader beraad.

2.2. De beoordeling van het verzoek

2.1
Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
2.2
Uit de wet (36 en 37 Rv) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat een partij concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter tegen wie het verzoek is gericht jegens die partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.
2.3
In de kern berust het verzoek op de navolgende gronden. Verzoekers wenst aanhouding van het instructievonnis totdat de nieuwe president van de rechtbank Amsterdam mr. H. Naves kennis heeft genomen van een door verzoeker op de rolzitting van 5 juni 2015 ingediende corruptie zaak en een door verzoeker gedane strafklacht wegens corruptie tegen een advocaat, een voormalige minister van justitie en de huidige president van de rechtbank Amsterdam, die volgens verzoeker leiding heeft gegeven aan een cover-up operatie van de door de advocaat en een voormalige kantonrechter gepleegde corruptie. Verzoeker meent recht te hebben op een gesprek met mr. Naves zodat deze als nieuwe president niet voor voldongen feiten komt te staan en omdat hij op grond van de artikelen 1 en 6 van het EVRM een actieve verplichting heeft het absolute recht van verzoeker op een eerlijk proces te waarborgen.
2.4
Naar het oordeel van de Rechtbank bevat het verzoek geen gronden waaruit vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, is/zijn af te leiden. Het verzoek tot wraking bevat immers geen concrete tegen de rechter aangevoerde argumenten voor wraking.
2.5
Voor een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek als bedoeld in artikel 39 lid 1 Rv Pro bestaat geen aanleiding. Het in deze bepaling gegeven recht op hoor en wederhoor is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek en niet om de gronden van het wrakingsverzoek alsnog aan te voeren. Aan dat onderzoek komt de wrakingskamer niet toe omdat het verzoek aanstonds als zijnde kennelijk ongegrond dient te worden afgewezen.
3. Omdat door verzoeker het middel van wraking lichtvaardig, want zonder enige kenbare tot de rechter gerichte grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik van recht. Een verzoek tot wraking is immers niet bedoeld om aanhouding van een rechterlijke beslissing te bewerkstelligen. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van klager in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De rechtbank:
 wijst het verzoek als zijnde kennelijk ongegrond af;
 bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen;
Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mrs. A.W.J. Ros en A.W.H. Vink, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 5 Sv geen voorziening open.