Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
- [minderjarige 1],
- [minderjarige 2],
Rechtbank Amsterdam
Partijen hadden een relatie waaruit twee kinderen zijn geboren, erkend door de man. Na het uiteengaan verblijven de kinderen bij de vrouw. De vrouw verzocht een kinderbijdrage van €150 per kind per maand vanaf 9 september 2014. De man verzocht afwijzing of vaststelling op basis van zijn draagkracht.
Partijen kwamen overeen dat de man €60 per kind per maand zou betalen. De discussie betrof de ingangsdatum van de bijdrage. De rechtbank beoordeelde de draagkracht van de man aan de hand van zijn inkomen in 2014 en 2015, rekening houdend met het kindgebonden budget en de recente uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015, die de berekeningswijze wijzigde.
De rechtbank oordeelde dat de man in 2014 onvoldoende draagkracht had en daarom geen bijdrage met terugwerkende kracht verschuldigd was. Vanaf 1 januari 2015 was een lagere bijdrage van €14 per kind redelijk, en vanaf 1 oktober 2015 het overeengekomen bedrag van €60 per kind. Tevens werd een omgangsregeling tussen man en kinderen besproken, maar niet formeel vastgesteld.
De beschikking werd gegeven door rechter C.M.E. de Koning en is uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.
Uitkomst: Man moet vanaf 1 januari 2015 €14 per kind en vanaf 1 oktober 2015 €60 per kind per maand betalen als kinderbijdrage.