ECLI:NL:RBAMS:2016:1322
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Huuropzegging onzelfstandige woonruimte binnen negen maanden na aanvangsovereenkomst
De zaak betreft een geschil over de opzegging van een huurovereenkomst voor twee kamers op de derde verdieping van een woning waarin de verhuurster haar hoofdverblijf heeft. De verhuurster heeft de huurovereenkomst binnen negen maanden na aanvang opgezegd op grond van artikel 7:232 lid 3 BW Pro, waarbij de huurder betwist dat sprake is van onzelfstandige woonruimte.
De rechtbank beoordeelt dat het gehuurde geen zelfstandige woning is omdat er geen eigen afsluitbare toegangsdeur is en de huurder gebruikmaakt van de gemeenschappelijke voordeur en het trappenhuis dat tot het domein van de verhuurster behoort. Hoewel de huurder beschikt over een eigen keuken en badkamer, zijn deze voorzieningen niet voldoende om zelfstandigheid aan te nemen.
Gezien de verstoorde verhouding tussen partijen en de spoedeisendheid van de situatie, wijst de rechtbank de vordering van de verhuurster tot ontruiming toe met een termijn van een maand na betekening van het vonnis en legt een dwangsom op. De vordering van de huurder tot gebruik van de wasmachine wordt afgewezen. Proceskosten worden aan de huurder opgelegd.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de onzelfstandige woonruimte binnen een maand na betekening van het vonnis.