Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Verloop van de procedure
- het proces-verbaal van de zitting gehouden op 3 februari 2016, inhoudende het wrakingsverzoek;
- de schriftelijke reactie van de rechter d.d. 9 februari 2016.
Rechtbank Amsterdam
In een familiegeschil over de verblijfplaats van een onder curatele gestelde moeder heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzieningenrechter. Dit verzoek volgde op een zitting waarbij de vordering tegen verzoekster was ingetrokken en zij niet meer het woord kreeg, hetgeen zij als onrechtvaardig en partijdig ervoer.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de intrekking van de vordering jegens verzoekster niet het einde van het geding betekende, maar dat de rechter een processuele beslissing nam door verzoekster niet langer het woord te geven. Hoewel deze beslissing onjuist was, was deze niet onbegrijpelijk en leverde dit geen gegronde reden tot wraking op.
De rechtbank erkent dat verzoekster zich niet gehoord voelde en dat de uitleg van de rechter over haar procespositie beter had gekund. Desondanks concludeert de rechtbank dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestaat en dat de ervaren afstandelijkheid van de rechter geen wrakingsgrond vormt.
Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen, waarmee de rechterlijke onpartijdigheid is bevestigd en het procesrechtelijk verloop als acceptabel wordt beoordeeld.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.