ECLI:NL:RBAMS:2016:3449

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 juni 2016
Publicatiedatum
7 juni 2016
Zaaknummer
C/13/606594 / JE RK 16-446
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWParagraaf 6.3 Jeugdwet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot uithuisplaatsing van minderjarige met LVB-problematiek

De zaak betreft een verzoek van de Gecertificeerde Instelling tot uithuisplaatsing van een minderjarige met lichte verstandelijke beperking (LVB) en grensoverschrijdend gedrag. De minderjarige verblijft momenteel thuis, maar de ouders ervaren grote moeite om haar te begrenzen. De minderjarige functioneert niet goed in eerdere opvangvoorzieningen en thuisplaatsing wordt als niet haalbaar beschouwd.

De kinderrechter heeft de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld, waarbij de minderjarige, ouders, maatschappelijk werker en vertegenwoordiger van de GI zijn gehoord. De ouders hebben een hulpplan opgesteld met de gemeente, maar dit biedt op dit moment geen voldoende oplossing om de minderjarige thuis te laten wonen.

Gelet op de problematiek en het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor een periode van vier maanden in een open plaatsing bij een jeugdhulpaanbieder. Vrijheidsbeperkende maatregelen zijn hierbij uitgesloten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het verzoek wordt voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor vier maanden in een open jeugdhulpvoorziening.

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Amsterdam
zaakgegevens : C/13/606594 / JE RK 16-446
datum uitspraak: 26 april 2016

beschikking uithuisplaatsing

in de zaak van

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming,hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Amsterdam.
betreffende
[naam 1], geboren op [datum] te [plaats] ( [land] ), hierna te noemen [naam 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [plaats] ,

[naam vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te [plaats] en

de minderjarige.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Gecertificeerde Instelling (GI) van 20 april 2016, ingekomen bij de griffie op 21 april 2016.
De kinderrechter heeft besloten de zaak op zitting te behandelen en niet de beschikking
te verlenen zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
Op 26 april 2016 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord is:
- de minderjarige [naam 1] die apart is gehoord,
- de moeder,
- de vader,
- de meerderjarige zus van de minderjarige,
- een vertegenwoordigster van de GI, [naam 2] en
- de maatschappelijk werker [naam 3] .
De ouders zijn ter terechtzitting bijgestaan door een tolk.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam 1] wordt uitgeoefend door de ouders.
[naam 1] woont bij de ouders.
Bij beschikking van de kinderrechter van 5 april 2016 is de minderjarige onder toezicht gesteld tot 5 april 2017.

Het verzoek

De GI heeft de uithuisplaatsing van [naam 1] verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling in een accommodatie jeugdhulpaanbieder.
De minderjarige verblijft op dit moment in crisisopvang Meisa, waar zij tot uiterlijk 28 april 2016 kan blijven. De minderjarige wordt op Meisa overvraagd en zij zou beter functioneren binnen een LVB-voorziening. School2Care is ook niet de juiste plek voor de minderjarige, omdat daar onvoldoende kan worden aangesloten bij de LVB-problematiek van de minderjarige. Thuisplaatsing bij de ouders is geen mogelijkheid omdat de minderjarige zelfbepalend is niet naar haar ouders luistert. Er is plek bij lijn 5 in Driehuis, een drie milieus voorziening. Meisa en School2Care hebben geadviseerd om de minderjarige bij lijn 5 te plaatsen. Het zou gaan om een ‘besloten’ plaatsing, waarbij de ouders instemmen met bepaalde maatregelen. De minderjarige en haar ouders willen dat zij thuis komt wonen. De ouders maken zich zorgen omdat hun oudste dochter een slechte ervaring bij de Koppeling heeft gehad.
De GI heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij zijn standpunt. De minderjarige is nu thuis. Volgens de GI is de plek bij lijn 5 nog beschikbaar. Volgens de GI is lijn 5 passend, OC Middelkoop is eventueel ook een optie.
De GI heeft voorts in reactie op het door de ouders in samenwerking met de gemeente opgestelde hulpplan aangegeven dat dit zeker mogelijkheden biedt voor de lange termijn, maar dat het op dit moment geen optie is dat de minderjarige thuis blijft wonen. De GI is niet in het maken van dit hulpplan betrokken. In het kader van de uithuisplaatsing zal ook worden gewerkt aan relatieherstel met de ouders.

Het standpunt van belanghebbenden

De ouders hebben ter terechtzitting aangegeven dat het niet goed is voor de minderjarige als zij tussen probleemjongeren komt te verkeren. Het is belangrijk dat er een behandeling komt die transparant is. De situatie is juist verergerd nadat de minderjarige bij Meisa is geweest. De ouders hebben samen met de hulpverlening een plan gemaakt met de Eigen plan coördinator van de gemeente.
De minderjarige heeft zich ter terechtzitting verweerd tegen het verzoek. Zij is nu thuis en daar wil zij het allerliefste blijven. Als dat niet kan wil zij naar een open groep, maar niet voor de duur van een jaar. Zij wil dat het goed is met haar ouders en zij is van plan te stoppen met roken.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken.
Duidelijk is dat [naam 1] grensoverschrijdend en zelfbepalend gedrag vertoont en dat ouders moeite hebben om haar te begrenzen en dat zij de grip op haar verliezen. De minderjarige kampt bovendien LVB-problematiek; zij is verstandelijk beperkt.
De kinderrechter heeft oog voor de inspanningen van de ouders die met behulp van de gemeente een hulpplan hebben opgesteld en die het liefst willen dat [naam 1] thuis blijft wonen. In dat plan staan onder meer de doelen opgenomen die voor de kinderen in het gezin, waaronder [naam 1] , moeten worden bereikt om de zorgen af te wenden en hoe de familie hierin ondersteunend kan zijn.
De kinderrechter stelt vast dat er in het gezin meerdere kinderen zijn en dat er ook meerdere doelen zijn waar aan gewerkt moet worden. Van de ouders wordt daarom, ook de verstandelijke beperking van [naam 1] in aanmerking nemend, veel gevraagd. De kinderrechter is van oordeel dat, gelet hierop en ook het grensoverschrijdend en zelfbepalend gedrag van [naam 1] in aanmerking nemend, een uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter acht het niet op dit moment niet mogelijk dat zij thuis blijft wonen.
De kinderrechter zal gevraagde machtiging verlenen voor verblijf van de minderjarige in een accommodatie zorgverlener. De kinderrechter wijst erop dat het hier gaat om een zogenaamde open plaatsing. Dit houdt in dat er geen gebruik kan worden gemaakt van vrijheidsbeperkende maatregelen zoals deze zijn opgenomen in de Jeugdwet, in de artikelen 6.3.1 en verder. Middelen en maatregelen zoals genoemd in paragraaf 6.3 van de Jeugdwet betreffen inbreuken op de lichamelijke integriteit van de minderjarige en zijn (daarom) uitdrukkelijk alleen mogelijk binnen een gesloten regime, waarbij is voorzien in waarborgen zoals het klachtrecht en de meldplicht bij gebruik van bepaalde dwangmiddelen. Toestemming van ouders maakt dit alles niet anders.
De kinderrechter zal de gevraagde machtiging voor de duur van vier maanden verlenen en het verzoek voor wat betreft het overige aanhouden tot een nader te bepalen zitting zoals hieronder staat aangegeven.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

De kinderrechter:
verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [naam 1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, met ingang van 28 april 2016 tot uiterlijk 28 augustus 2016;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt en verzoek voor wat betreft het overige aan tot een nader te bepalen zitting voor 28 augustus 2016 en roept de GI en de belanghebbenden alsdan op ter zitting te verschijnen.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Weel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2016.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam