ECLI:NL:RBAMS:2016:4113

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 juni 2016
Publicatiedatum
5 juli 2016
Zaaknummer
C/13/610893 / KG RK 16-1430
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om verlof voor bewijsbeslag wegens auteursrechtinbreuk

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam op 29 juni 2016 uitspraak gedaan in een verzoek om verlof voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag. Verzoeker, auteur van het boek 'De Straatvechter, mijn verhaal', heeft op 15 juni 2016 een verzoekschrift ingediend om bewijsbeslag te leggen ten laste van verschillende gerekwestreerden, waaronder Dutch Mountain Film B.V. en VPRO, in verband met een vermeende auteursrechtinbreuk door een op te nemen dramaserie. Eerder, op 15 april 2016, was een vergelijkbaar verzoek door de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk was dat de tv-serie overeenstemde met het boek van verzoeker.

De voorzieningenrechter heeft in deze beschikking overwogen dat verzoeker niet heeft voldaan aan de verplichting om relevante feiten volledig en naar waarheid te vermelden. Hij had in zijn verzoekschrift moeten aangeven dat er eerder een verzoek was afgewezen en dat hij een soortgelijk verzoek had ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. Dit gebrek aan transparantie heeft geleid tot een belangenafweging die in het nadeel van verzoeker uitviel. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat verzoeker onvoldoende nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die een heroverweging van de eerdere afwijzing rechtvaardigen.

De voorzieningenrechter concludeert dat de dreiging van auteursrechtinbreuk niet voldoende is om het gevraagde verlof voor bewijsbeslag toe te kennen, vooral omdat de uitzending van de tv-serie nog niet heeft plaatsgevonden. De beslissing om het verzoek af te wijzen is genomen met inachtneming van het recht op uitingsvrijheid van de betrokken partijen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om verlof voor bewijsbeslag dan ook geweigerd.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rekestnummer: C/13/610893 / KG RK 16-1430 MW/JT
Beschikking van 29 juni 2016
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
advocaat mr. Y. Moszkowicz te Utrecht,
en
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DUTCH MOUNTAIN FILM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2.
[gerekwestreerde 2],
wonende te [woonplaats] ,
3.
[gerekwestreerde 3],
werkende te [woonplaats] ,
4. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
VPRO,
gevestigd te Hilversum,
gerekwestreerden.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 15 juni 2016 een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag, met gerechtelijke bewaring, ten laste van gerekwestreerden sub 1 en 4 ingediend, welk verzoekschrift aan deze beschikking is gehecht. Op 16 juni 2016 heeft de griffier aan (de advocaat van) verzoeker verzocht om het verzoekschrift op een aantal punten aan te passen. Zo is verzocht om in het aangepaste verzoekschrift te vermelden dat verzoeker reeds op 14 april 2016 heeft verzocht om een verlof tot bewijsbeslag ten laste van onder andere Dutch Mountain Film B.V. en dat dat verzoek op 15 april is afgewezen. Daarnaast is onder meer verzocht om het vonnis van 27 mei 2016 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland te doen toekomen en is verzocht om in het aangepaste verzoekschrift te vermelden wat het onderzoek door DigiJuris naar aanleiding van dat vonnis heeft opgeleverd.
1.2.
Op 24 juni 2016 heeft verzoeker een aangepast verzoekschrift ingediend, welk verzoekschrift aan deze beschikking is gehecht. In dit verzoekschrift vraagt hij thans om naast gerekwestreerden sub 1 en 4 tevens ten laste van gerekwestreerden sub 2 en 3 conservatoir bewijsbeslag, met gerechtelijke bewaring, te mogen leggen.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 15 april 2016 is een eerder verzoek om bewijsbeslag te mogen leggen ten laste van een aantal van de gerekwestreerden afgewezen. Overwogen is dat onvoldoende aannemelijk was dat de aangekondigde tv-serie De Maatschap overeenstemt met het boek van verzoeker, De straatvechter, mijn verhaal. Ook is overwogen dat niet was gesteld dat gerekwestreerden voornemens zijn om auteursrechtelijk beschermde passages uit het boek over te nemen in de tv-serie, zodat een dreigende inbreuk op het auteursrecht van verzoeker ook op die grond onvoldoende aannemelijk was.
2.2.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft op 19 april 2016 aan verzoeker verlof verleend om bewijsbeslag te leggen onder [beslagene 1] , [beslagene 2] en de vennootschap onder firma Raaf (de scenarioschrijvers van de tv-serie). Het beslag is gelegd en in een kort geding procedure heeft verzoeker inzage van de in beslag genomen bescheiden gevorderd. Bij tussenvonnis van 27 mei 2016 is aan DigiJuris B.V. een onderzoek opgedragen en bij eindvonnis van 17 juni 2016 is de vordering van verzoeker afgewezen.

3.Het verzoek

Verzoeker is auteur van het boek “De Straatvechter, mijn verhaal”. Gerekwestreerden zijn voornemens om/bezig een dramaserie over de familie van verzoeker en hem zelf te maken. Uit verschillende media-uitingen, alsmede door verklaringen van figuranten die hebben deelgenomen aan opnames van de voornoemde dramaserie, is - kort gezegd - door verzoeker vernomen dat bepaalde feitelijkheden/informatie, welke in de serie zullen worden verwerkt, rechtstreeks afkomstig zijn uit het (auteursrechtelijk beschermde) boek van verzoeker, waaronder de verkoop door verzoeker van gouden manchetknopen en een bepaalde bedscène. Hij wijst erop dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op deze grond al verlof voor bewijsbeslag heeft verleend. Volgens verzoeker staat vast dat de inbreukmakende scène in audiovisuele vorm bestaat. Verzoeker stelt thans dat het script/de serie inbreuk maakt op zijn auteursrecht en dat hij, onder meer, recht en belang heeft bij inzage in de synopsis, het scenario en de scripts van de dramaserie, alsmede in het tot nu toe reeds opgenomen ruwe beeldmateriaal van de dramaserie. Omdat gerekwestreerden weigeren verzoeker inzage te verschaffen in het door hem gewenste materiaal, wenst hij conservatoir beslag tot bescherming van bewijs op grond van artikel 1019 b en c Rv. te mogen leggen. Het bewijsbeslag betreft de (ruwe) film/video opnames van (alle) tot nu toe gefilmde scenes van de voornoemde (in het verzoekschrift nader aangeduide) dramaserie.

4.De beoordeling

4.1.
Het verlof voor bewijsbeslag wordt verzocht voor alle audiovisuele opnames van de tv-serie die zich (mogelijk) bevinden onder Dutch Mountain Film B.V., [gerekwestreerde 2] , [gerekwestreerde 3] , [beslagene 3] (regisseur) en [beslagene 4] (editor) (en kennelijk niet onder de VPRO).
4.2.
Het gevraagde verlof zal om meerdere redenen worden geweigerd.
Om te beginnen heeft verzoeker niet voldaan aan de verplichting, bepaald in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Zoals in de Beslagsyllabus (versie augustus 2015) is vermeld betekent dit dat in het verzoekschrift onder meer melding moet worden gemaakt van eerder ingediende beslagrekesten. Dit heeft verzoeker niet gedaan. Eerst in het aangepaste verzoekschrift heeft verzoeker desgevraagd vermeld dat op 15 april 2016 een eerder verzoek om bewijsbeslag te mogen leggen door de voorzieningenrechter van deze rechtbank is afgewezen. Bovendien heeft verzoeker in het geheel geen melding gemaakt van het feit dat hij bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op 13 juni 2016 vrijwel hetzelfde verzoekschrift heeft ingediend. Dit is op 27 juni 2016 langs andere weg aan de voorzieningenrechter bekend geworden. Reeds omdat verzoeker hierover geen open kaart heeft gespeeld brengt een belangenafweging mee dat aan zijn verzoek wordt voorbijgegaan.
4.3.
Bovendien heeft verzoeker onvoldoende nieuwe feiten en omstandigheden aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Hij had in hoger beroep kunnen gaan van de afwijzende beschikking van 15 april 2016 en er is geen reden om nu anders te beslissen dan destijds. Verzoeker stelt wel dat er een dreigende auteursrechtinbreuk is omdat te verwachten is dat in de tv-serie scènes zullen worden vertoond die zijn ontleend aan belangrijke passages in het boek van verzoeker, maar anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen heeft geoordeeld, wordt een dreigende auteursrechtinbreuk op deze grond onvoldoende aannemelijk geacht. Het in een tv-serie over een advocatenfamilie, die gelijkenis vertoont met de familie van verzoeker, mogelijk vertonen van enkele scènes die zijn gebaseerd op passages uit het boek van verzoeker rechtvaardigt nog niet de conclusie dat zodanige auteursrechtelijke trekken uit het boek van verzoeker zijn overgenomen dat de indrukken van het boek en de tv-serie zodanig overeenkomen dat van een auteursrechtelijke inbreuk moet worden gesproken. Ook vormt een eventuele dreiging van auteursrechtinbreuk onvoldoende grond voor een bewijsbeslag op voorhand, voordat de tv-uitzendingen hebben plaatsgevonden. Het beslag zal immers moeten worden gevolgd door een procedure, waarin naar moet worden aangenomen zou worden gevorderd een uitzendverbod en/of een voorschot op schadevergoeding, voorafgaand aan de uitzending van de tv-serie. Voor een procedure die pas wordt gevoerd na de uitzending is een bewijsbeslag immers niet meer nodig. Niet aannemelijk is dat deze vorderingen op voorhand zouden worden toegewezen: voor een uitzendverbod is in het algemeen een dreigende auteursrechtinbreuk onvoldoende (tegenover het recht op uitingsvrijheid van degenen die de uitzending verzorgen) en zonder dat de uitzending al heeft plaatsgevonden ligt het niet voor de hand dat al een voorschot op schadevergoeding wordt toegekend.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
Weigert het gevraagde verlof.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, op 29 juni 2016.