ECLI:NL:RBAMS:2016:4372
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking afgewezen na schikking en beëindiging kortgedingprocedure
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de voorzieningenrechter na afloop van een kortgedingprocedure die was geëindigd met een door partijen ondertekend proces-verbaal. De rechtbank oordeelde dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk was omdat op het moment van indiening de zaak reeds was afgerond en geen rechter meer de zaak in behandeling had.
De rechtbank verwees naar artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarin is bepaald dat een wrakingsverzoek alleen kan worden gericht tegen een rechter die een zaak nog behandelt. De ondertekening van het proces-verbaal door partijen betekende het einde van de procedure en de royering van de zaak.
Verzoekster stelde dat het verzoek tijdig was omdat het proces-verbaal nog niet was verwerkt in een formele beschikking, maar de rechtbank oordeelde dat deze administratieve handeling door de griffier geen onderdeel is van de behandeling van de zaak. Er was geen aanleiding tot een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek, omdat het verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank sprak de beslissing uit in aanwezigheid van de griffier en wees erop dat tegen deze beslissing geen voorziening openstaat op grond van artikel 39 lid 5 Rv Pro.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de zaak was beëindigd en geen rechter meer de zaak behandelde.