ECLI:NL:RBAMS:2016:4377
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen lid wrakingskamer wegens gebrek aan gegronde vrees vooringenomenheid
Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen mr. drs. W.M.C. van den Berg, lid van de wrakingskamer belast met de behandeling van een eerder wrakingsverzoek tegen mr. M.J.M. Langeveld. Zij stelden dat de rechter niet onpartijdig kon zijn vanwege een eerdere procedure en een vermeende onjuiste vermelding van een openbare zitting in een eerdere wrakingszaak.
De rechtbank onderzocht de bevoegdheid en de gronden van het verzoek. Volgens de wet moet een wrakingsverzoek worden behandeld door een meervoudige kamer zonder de gewraakte rechter. De wrakingskamer achtte zich bevoegd. De rechtbank benadrukte dat wraking alleen mogelijk is bij feiten of omstandigheden die een gegronde vrees vooringenomenheid rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat verzoekers geen concrete feiten of omstandigheden hadden aangevoerd die een objectief gerechtvaardigde vrees vooringenomenheid konden onderbouwen. Het enkele feit dat verzoekers aangifte hadden gedaan en een lopende procedure hadden, was onvoldoende. Ook de communicatie over de samenstelling van de wrakingskamer en oproeping kon geen gegronde vrees rechtvaardigen.
Daarom werd het wrakingsverzoek als kennelijk niet-ontvankelijk afgewezen zonder mondelinge behandeling. Tevens werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek tegen dezelfde rechters niet in behandeling wordt genomen vanwege misbruik van recht. Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van gegronde vrees vooringenomenheid en een volgend verzoek wordt niet in behandeling genomen.