ECLI:NL:RBAMS:2016:4377

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 juni 2016
Publicatiedatum
15 juli 2016
Zaaknummer
HA RK 252.2016
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:18 AwbArt. 12 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen lid wrakingskamer wegens gebrek aan gegronde vrees vooringenomenheid

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen mr. drs. W.M.C. van den Berg, lid van de wrakingskamer belast met de behandeling van een eerder wrakingsverzoek tegen mr. M.J.M. Langeveld. Zij stelden dat de rechter niet onpartijdig kon zijn vanwege een eerdere procedure en een vermeende onjuiste vermelding van een openbare zitting in een eerdere wrakingszaak.

De rechtbank onderzocht de bevoegdheid en de gronden van het verzoek. Volgens de wet moet een wrakingsverzoek worden behandeld door een meervoudige kamer zonder de gewraakte rechter. De wrakingskamer achtte zich bevoegd. De rechtbank benadrukte dat wraking alleen mogelijk is bij feiten of omstandigheden die een gegronde vrees vooringenomenheid rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelde dat verzoekers geen concrete feiten of omstandigheden hadden aangevoerd die een objectief gerechtvaardigde vrees vooringenomenheid konden onderbouwen. Het enkele feit dat verzoekers aangifte hadden gedaan en een lopende procedure hadden, was onvoldoende. Ook de communicatie over de samenstelling van de wrakingskamer en oproeping kon geen gegronde vrees rechtvaardigen.

Daarom werd het wrakingsverzoek als kennelijk niet-ontvankelijk afgewezen zonder mondelinge behandeling. Tevens werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek tegen dezelfde rechters niet in behandeling wordt genomen vanwege misbruik van recht. Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van gegronde vrees vooringenomenheid en een volgend verzoek wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 17 juni 2016 schriftelijk gedane en onder rekestnummer C/13/610774/ HA RK 252.2016 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,
wonende te Amsterdam,
verzoekers,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. drs. W.M.C. van den Berg, hierna te noemen: de rechter, lid van de wrakingskamer belast met behandeling van het door verzoekers ingediende verzoek tot wraking van mr. M.J.M. Langeveld (zaaknummer 155.2016).

1.Verloop van de procedure

1.1.
De behandeling in openbare raadkamer van het tegen mr. M.J.M. Langeveld ingediende verzoek tot wraking was aanvankelijk gepland op vrijdagochtend 17 juni 2016. Het onderhavige wrakingsverzoek is blijkens het opschrift op de fax ontvangen bij de rechtbank op 17 juni 2016 om 0:17 uur. De behandeling van het eerst ingediende wrakingsverzoek is daarom geschorst.
1.2
Volgens het vaste zittingsrooster van de wrakingskamer hadden op vrijdagochtend 17 juni 2016 zitting mrs. A.W.J. Ros, M.V. Ulrici en A.P. Schoonbrood-Wessels. In de oproep voor de behandeling van het eerste wrakingsverzoek van 1 juni 2016 is vermeld dat de wrakingskamer zou bestaan uit mrs. A.W.J. Ros, A.P. Schoonbrood-Wessels en K.A. Brunner. Op 9 juni 2016 hebben verzoekers mr. A.W.J. Ros gewraakt. Deze heeft zich vervolgens laten vervangen. Hierop is mr. W.M.C. van den Berg bereid gevonden om deel uit te maken van de wrakingskamer. Bij brief van 13 juni 2016 heeft de secretaris van de wrakingskamer aan verzoekers meegedeeld: “per abuis heeft mijn collega F.C.H. Krieger in de op 1 juni 2016 aan u gezonden oproep vermeld dat mr. K.A. Brunner deel zou uitmaken van de wrakingskamer. Dat was een onjuiste mededeling, omdat volgens ons rooster mr. M.V. Ulrici zitting heeft”. Bij brief van 14 juni 2016 heeft de secretaris van de wrakingskamer aan verzoekers meegedeeld dat mr. drs. W.M.C. van den Berg bereid is gevonden om deel te nemen aan de wrakingskamer in de plaats van mr. K.A. Brunner. Op 14 juni 2016 zijn verzoekers opgeroepen voor de behandeling op 17 juni 2016 en is de juiste samenstelling van de wrakingskamer meegedeeld.

2.De gronden van het verzoek

2.1
Verzoekers hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter in 2014 deel heeft uitgemaakt van een wrakingskamer, welke wrakingskamer ten onrechte in de beslissing heeft vermeld dat de uitspraak ter openbare terechtzitting van 19 augustus 2014 was gedaan (zaaknummer 239.2014). Volgens verzoekers was dat niet juist omdat verzoekers niet waren opgeroepen voor die openbare zitting en is daarmee bovendien in strijd gehandeld met bindende verdragsbepalingen en de Grondwet.
2.2
Door aldus te handelen heeft de rechter volgens verzoekers valsheid in geschrifte gepleegd en hebben verzoekers aangifte gedaan. Thans loopt er een door verzoekers aangespannen procedure op basis van artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Als gevolg hiervan kan de rechter niet onpartijdig oordelen over het wrakingsverzoek gericht tegen mr. M.J.M. Langeveld.
2.3
Verder hebben verzoekers aangevoerd dat voorafgaand aan de behandeling op 17 juni 2016 niet tijdig is meegedeeld door welke rechter mr. A.W.J. Ros zou worden vervangen. Verzoekers hebben in dit verband verwezen naar een brief van de voormalige President van deze rechtbank, mr. C.M.T. Eradus van 1 september 2000 naar aanleiding van een door verzoekers ingediende klacht.
2.4
Ten slotte hebben verzoekers aangevoerd dat de rechtbank in deze wrakingsprocedure niet bevoegd is en verwezen naar in het eerdere wrakingsverzoek aangevoerde, bij verzoekers tegen deze rechtbank levende, bezwaren.

3.Bevoegdheid

Het wrakingsverzoek heeft betrekking op een bij deze rechtbank lopende wrakingsprocedure. Volgens de wet dient een wrakingsverzoek te worden behandeld door een meervoudige kamer waarin de gewraakte rechter geen zitting heeft. De wrakingskamer acht zich tot behandeling van het verzoek bevoegd.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1
Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
4.2
Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.3
Uit de wet, artikel 8:18 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat verzoekers concrete feiten en omstandigheden dienen aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.
4.4
De motivering van het onderhavige verzoek bevat geen feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, zijn af te leiden.
4.5
De enkele omstandigheid dat verzoekers aangifte hebben gedaan tegen een wrakingskamer waarin de rechter heeft deelgenomen, gevolgd door een thans nog lopende beklagprocedure ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan op zichzelf niet tot het oordeel leiden dat er een gegronde vrees van vooringenomenheid van deze rechter tegen verzoekers bestaat. Verzoekers hebben ook niet aangegeven waarom uit de in hun ogen onrechtmatige gang van zaken waarop de aangifte en de artikel 12 procedure Pro betrekking hebben, tot een dergelijke vrees kan worden geconcludeerd.
Ook hetgeen verzoekers voorts hebben aangevoerd kan niet tot een dergelijke conclusie leiden. De rechtbank constateert dat verzoekers op 14 juni 2016 op de hoogte waren van de deelname van de rechter in de wrakingskamer, en in staat zijn geweest het onderhavige wrakingsverzoek in te dienen. Dit nog daargelaten dat ook hier geldt dat de enkele ongelukkige gang van zaken rond de oproeping niet kan leiden tot een gegronde vrees voor vooringenomenheid.
4.6
Daarom dient het verzoek tot wraking, als zijnde kennelijk niet-ontvankelijk, te worden afgewezen. De mondelinge behandeling kan dan ook achterwege blijven.
5 Omdat door verzoekers het middel tot wraking lichtvaardig, want zonder enige kenbare grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik van recht. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechters belast met de behandeling van het tegen mr. M.J.M. Langeveld door verzoekers ingediende verzoek tot wraking niet in behandeling wordt genomen.
6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De rechtbank:
 verklaart verzoekers niet ontvankelijk in hun verzoek tot wraking,
 bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking gericht tegen de leden van de wrakingskamer belast met de behandeling van het tegen mr. M.J.M. Langeveld door verzoekers ingediende verzoek tot wraking (zaaknummer 155.2016) niet in behandeling zal worden genomen;
Aldus gegeven door mrs. A.J. Dondorp, voorzitter, N.C.H. Blankevoort en P.B. Martens, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, waaronder de rechtbank begrijpt het neerleggen ter griffie onder toezending aan partijen, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 8: 18 lid 5 Awb geen voorziening open.