ECLI:NL:RBAMS:2016:464

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 februari 2016
Publicatiedatum
4 februari 2016
Zaaknummer
13/684601-14 (tul bijz vw)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM in vordering tot tenuitvoerlegging bijzondere voorwaarden na arrest gerechtshof

De zaak betreft een vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk jeugddetentie-straf met bijzondere voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar waren verklaard. De veroordeelde was bij vonnis van 3 maart 2015 veroordeeld tot 14 maanden jeugddetentie, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals deelname aan een CoVa-training en naleving van reclasseringsaanwijzingen.

Na het indienen van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft het gerechtshof in hoger beroep het vonnis vernietigd en een nieuw arrest gewezen waarbij geen bijzondere voorwaarden meer werden opgelegd. Dit leidde tot een ex nunc toetsing door de rechtbank, waarbij de situatie ten tijde van de beslissing bepalend is.

De rechtbank oordeelt dat doordat de bijzondere voorwaarden niet meer van kracht zijn na het arrest van het gerechtshof, het niet naleven daarvan geen grond meer kan vormen voor tenuitvoerlegging. Daarom verklaart de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.

De beslissing is uitgesproken op 1 februari 2016 door de rechtbank Amsterdam, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis tekenden. De oudste rechter was niet in staat mede te ondertekenen.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/684601-14 (tul bijzondere voorwaarden)
BESLISSING NA VEROORDELING
TOT VOORWAARDELIJKE STRAF
Beslissing op de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 20 oktober 2015, betreffende een vonnis van 3 maart 2015, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1995,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [te plaats] en aldaar feitelijk verblijvende.
Bij voormeld vonnis is [verdachte] voornoemd veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 14 (veertien) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, met bevel dat een gedeelte van 8 (acht) maanden van die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de daarbij op twee jaren vastgestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel niet heeft nageleefd de bij dat vonnis gestelde bijzondere voorwaarden, dat veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering en moet deelnemen aan een CoVa-training. Deze voorwaarden zijn bij voornoemd vonnis dadelijk uitvoerbaar verklaard.

De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt er toe dat die niet ten uitvoer gelegde straf alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.

De procesgang

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:
  • voormeld vonnis;
  • een advies van Reclassering Nederland te Amsterdam van 11 september 2015 aan de officier van justitie, waarin wordt geadviseerd om het voorwaardelijke strafdeel ten uitvoer te leggen.
  • een voortgangsverslag van Reclassering Nederland te Amsterdam van 16 oktober 2015.
Op de openbare terechtzitting van 18 november 2015 heeft de rechtbank, gehoord de officier van justitie, veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam, het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst, omdat de behandeling in hoger beroep tegen voormeld vonnis reeds had plaatsgevonden en het gerechtshof op 1 december 2015 arrest zou wijzen.
Het gerechtshof heeft het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging vernietigd en aan veroordeelde onder andere opgelegd een jeugddetentie voor de duur van veertien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk. Aan dit voorwaardelijk strafdeel zijn
geenbijzondere voorwaarden verbonden. Tegen voornoemd arrest is door de verdediging cassatie ingesteld.
De rechtbank heeft op de openbare terechtzitting van 1 februari 2016 gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsvrouw.

De beoordeling

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet-ontvankelijk is in de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat het arrest van het gerechtshof nog niet onherroepelijk is. Gelet op de inhoud van het arrest van het gerechtshof zou de vordering ook afgewezen kunnen worden.
De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen. Omdat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar waren verklaard, acht zij het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering als volgt.
Voor het beantwoorden van die vraag is de situatie ten tijde van de beslissing van belang en niet de situatie zoals die was ten tijde van het indienen van de vordering tot tenuitvoerlegging door het Openbaar Ministerie. Er is dus sprake van een zogenoemde ‘ex nunc’-toetsing.
De vordering is gestoeld op het niet naleven door veroordeelde van dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden. Doordat het gerechtshof op 1 december 2015 het vonnis ten aanzien van de strafoplegging heeft vernietigd en arrest heeft gewezen zijn deze bijzondere voorwaarden niet meer van kracht. Het niet naleven van deze bijzondere voorwaarden kan dan ook geen grond meer zijn om de tenuitvoerlegging te vorderen. Dat brengt met zich dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging.

Beslissing

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.
Deze beslissing is genomen door
mr. F. Wieland, voorzitter,
mrs. J. Knol en M.J.A. Duker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 februari 2016.
De oudste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.