De zaak betreft een vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk jeugddetentie-straf met bijzondere voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar waren verklaard. De veroordeelde was bij vonnis van 3 maart 2015 veroordeeld tot 14 maanden jeugddetentie, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals deelname aan een CoVa-training en naleving van reclasseringsaanwijzingen.
Na het indienen van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft het gerechtshof in hoger beroep het vonnis vernietigd en een nieuw arrest gewezen waarbij geen bijzondere voorwaarden meer werden opgelegd. Dit leidde tot een ex nunc toetsing door de rechtbank, waarbij de situatie ten tijde van de beslissing bepalend is.
De rechtbank oordeelt dat doordat de bijzondere voorwaarden niet meer van kracht zijn na het arrest van het gerechtshof, het niet naleven daarvan geen grond meer kan vormen voor tenuitvoerlegging. Daarom verklaart de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.
De beslissing is uitgesproken op 1 februari 2016 door de rechtbank Amsterdam, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis tekenden. De oudste rechter was niet in staat mede te ondertekenen.