In deze zaak vordert de gemeente Amsterdam samen met rederij Kooy dat de kassahuisjes van rederijen Lovers en Canal op de tijdelijke openbare vingersteigers in het Open Havenfront worden verwijderd. De steigers zijn in 2002 geplaatst vanwege werkzaamheden aan de Noord-Zuidlijn en dienden aanvankelijk alleen als halteplaats. In 2004 wijzigde de gemeente haar beleid en stemde zij in met de plaatsing van kassahuisjes. Kooy stelt door de aanwezigheid van deze huisjes omzet te zijn misgelopen en heeft de gemeente aansprakelijk gesteld.
De voorzieningenrechter oordeelt dat aan Lovers en Canal toestemming is verleend voor de kassahuisjes en dat de gemeente niet spoedeisend belang heeft bij verwijdering. Kooy heeft geen aannemelijk causaal verband tussen de omzetdaling en de kassahuisjes gesteld, terwijl de huisjes al sinds 2004 staan en Kooy destijds geen bezwaar maakte. Bovendien is de situatie tijdelijk en worden werkzaamheden aan de middenkom pas vanaf 2018 verwacht.
De rechtbank wijst de vordering af wegens het ontbreken van spoedeisend belang en veroordeelt de gemeente en Kooy in de proceskosten. De kassahuisjes mogen blijven staan tot de gemeente daadwerkelijk over het gebied moet beschikken voor toekomstige werkzaamheden.