ECLI:NL:RBAMS:2016:4998
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring ontkenning vaderschap wegens niet-biologisch vaderschap ondanks termijnoverschrijding
Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om de ontkenning van het vaderschap van zijn wettige vader te verklaren, omdat deze niet zijn biologische vader is. De moeder had gedurende het conceptietijdvak geen intieme relatie met de wettige vader, maar wel met diens broer, die de biologische vader is. Verzoeker heeft een warme relatie opgebouwd met zijn biologische vader en wil deze relatie formaliseren.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker zijn verzoek niet binnen de wettelijke termijn van drie jaar na meerderjarigheid heeft ingediend, zoals voorgeschreven in artikel 1:200 lid 6 BW Pro. Verzoeker beroept zich op artikel 8 EVRM Pro, stellende dat de termijn in strijd is met het recht op respect voor privé- en gezinsleven. De rechtbank overweegt dat termijnen in beginsel gerechtvaardigd zijn ter bescherming van rechtszekerheid en belangen van het kind, maar dat in deze zaak geen enkel belang is gediend bij handhaving van de termijn.
Alle betrokkenen erkennen dat de wettige vader niet de biologische vader is en wensen de wettelijke vaderschapsvermoedens niet te handhaven. De rechtbank concludeert dat de termijnoverschrijding een ongerechtvaardigde inmenging in het family life oplevert zonder rechtvaardiging volgens artikel 8 EVRM Pro. Daarom wordt de termijnoverschrijding buiten beschouwing gelaten en het verzoek gegrond verklaard.
De rechtbank draagt de griffier op na kracht van gewijsde een afschrift van de beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen drie maanden na uitspraak of betekening.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de ontkenning van het vaderschap gegrond ondanks overschrijding van de wettelijke termijn wegens het belang van verzoeker en het ontbreken van zwaarwegende belangen voor handhaving van de termijn.