De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld wegens verkrachting van twee meisjes, destijds 16 en 13 jaar oud, gepleegd in de periode oktober tot december 1992. Verdachte maakte misbruik van zijn positie als alternatief genezer en het grote leeftijdsverschil om de meisjes te dwingen tot seksuele handelingen. De aangiften van de slachtoffers werden ondersteund door verklaringen van een zus en de overeenkomsten tussen de feiten.
Verdachte ontkende de beschuldigingen en gaf een andere lezing van de gebeurtenissen, maar zijn verklaringen werden door de rechtbank als ongeloofwaardig beoordeeld. Het bewijs bestond uit verklaringen van de slachtoffers, hun zus en ouders, en de context van de bezoeken aan verdachte. De rechtbank verwierp het verweer dat de aangiften onvoldoende steun vonden in ander bewijs.
De rechtbank verklaarde het derde ten laste gelegde feit verjaard en niet-ontvankelijk. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd hem opgelegd de schadevergoedingen aan de slachtoffers in 21 maandelijkse termijnen te betalen, ondanks dat de civiele vorderingen verjaard waren. De straf werd gematigd vanwege het tijdsverloop, het ontbreken van eerdere veroordelingen en de gezondheidssituatie van verdachte.