Verzoekster diende op 24 maart 2016 een aanvraag in voor een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet voor een ruimtelijke ingreep. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling omdat deze niet volledig was, ondanks een hersteltermijn van twee weken.
De rechtbank oordeelt dat de hersteltermijn van twee weken onredelijk kort was gezien de aard en omvang van de nog uit te voeren onderzoeken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder wist bij het stellen van deze termijn dat deze niet gehaald zou worden en had daarom een redelijke termijn moeten bieden.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waardoor de aanvraag weer openvalt. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het belang daarvoor is vervallen nu in de hoofdzaak is beslist.