AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak en veroordeling voor ontucht en verbergen minderjarige met toepassing adolescentenrecht
De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 september 2016 de zaak tegen verdachte, geboren in 1996, die werd verdacht van ontucht met een minderjarige van 13 jaar en het onttrekken en verbergen van deze minderjarige aan haar pleegouders en politie.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit seksueel binnendringen, en dat hij de minderjarige bewust verborgen heeft gehouden voor haar pleegouders en de politie. De tenlastelegging dat verdachte de minderjarige onttrok aan het gezag werd niet bewezen verklaard, waardoor hij daarvan werd vrijgesproken.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen schuld treft vanwege de vermeende leeftijdsverwarring en dat het gedrag niet als ontucht kwalificeert. De rechtbank verwierp deze verweren, oordeelde dat verdachte een onderzoeksplicht had en dat er sprake was van een ongelijkwaardige relatie, mede door het leeftijdsverschil en de gesloten jeugdinrichting.
De rechtbank legde verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 120 uur. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder reclasseringscontact en verplichte behandeling bij een polikliniek. De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, het feit dat verdachte geen eerdere veroordelingen had en mogelijke beperkte cognitieve vaardigheden.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van onttrekking aan gezag, maar veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf van 120 uur voor ontucht en verbergen van een minderjarige.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
VERKORT VONNIS
Parketnummer: 13/659274-15
Datum uitspraak: 6 september 2016
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] , [woonplaats] .
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 augustus 2016.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr.
M. Zwinkels, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van wat naar voren is gebracht door de vader van verdachte en de pleegvader van het slachtoffer.
2.Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 23 februari 2015 tot en met 25 februari
2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met [persoon] , geboren op [geboortedatum]
2001, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van
zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen
heeft gepleegd, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het
lichaam, immers heeft hij, verdachte:
- eenmaal of meermalen zijn geslachtsdeel en/of vinger(s) en/of tong in de
vagina van voornoemde [persoon] geduwd en/of gebracht en/of
- eenmaal of meermalen zijn geslachtsdeel in de mond van voornoemde [persoon]
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4.Waardering van het bewijs
De rechtbank acht -met de officier van justitie en de raadsman- van verdachte niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
1.
in de periode van 23 februari 2015 tot en met 25 februari 2015 te Amsterdam met
[persoon] , geboren op [geboortedatum] 2001, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte:
- zijn geslachtsdeel, vinger en tong in de vagina van voornoemde [persoon] gebracht en
- zijn geslachtsdeel in de mond van voornoemde [persoon] gebracht.
3.
in de periode van 23 februari 2015 tot en met 25 februari 2015 te Amsterdam opzettelijk
een minderjarige, te weten [persoon] , geboren op [geboortedatum] 2001, die zich onttrokken had aan het wettig over haar gesteld gezag van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, te weten [pleegmoeder slachtoffer] , zijnde de pleegmoeder van voornoemde minderjarige en [pleegvader slachtoffer] , zijnde de pleegvader van voornoemde minderjarige en Intermetzo [locatie] , zijnde de instelling alwaar voornoemde minderjarige middels een rechterlijke machtiging gesloten was geplaatst, heeft verborgen en aan de nasporing van de ambtenaren van justitie en politie heeft onttrokken, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk:
- voornoemde minderjarige naar een voor justitie en politie onbekende plaats, een hotel in Amsterdam, gebracht en opzettelijk deze plaats niet aan justitie en politie bekend gemaakt en
- niet gereageerd op een sms van de pleegvader van voornoemde minderjarige met daarin de vraag of hij kon bevestigen dat voornoemde minderjarige bij hem was en
- op vragen van de politie aangegeven niet te weten waar voornoemde minderjarige zich in voornoemde periode bevond.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5.Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6.De strafbaarheid van de feiten en verdachte
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege het ontbreken van alle schuld. Verdachte treft geen verwijt omtrent de leeftijd van de minderjarige, gezien de mededelingen hierover door de minderjarige in combinatie met haar uiterlijke verschijning. Subsidiair kan volgens de raadsman het bewezen verklaarde niet worden gekwalificeerd als ontucht. De omstandigheden van het seksueel contact tussen verdachte en de minderjarige laten niet een dusdanige ongelijkheid zien dat gesproken kan worden van ontucht.
De rechtbank overweegt dat artikel 245 vanPro het Wetboek van Strafrecht strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die, gelet op hun jeugdige leeftijd, in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Uit de jurisprudentie blijkt dat de leeftijd van het slachtoffer bij dit artikel is geobjectiveerd, zodat opzet of schuld daaromtrent niet vereist is. Een beroep op dwaling omtrent de leeftijd kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden gehonoreerd. Hiervoor is noodzakelijk dat verdachte op de misleidende informatie van de minderjarige omtrent haar leeftijd mocht vertrouwen. Dit betekent dat een verdachte een vergaande onderzoekplicht heeft om achter de leeftijd van de minderjarige te komen. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat verdachte wel degelijk een verwijt kan worden gemaakt. Het gegeven dat de minderjarige tegen hem zou hebben gezegd dat zij zestien jaar was en dat zij er ook zo uit zou zien, ontslaat verdachte niet van een verdere onderzoekverplichting. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen. Overigens bevat het dossier sterke aanwijzingen dat verdachte in weerwil van zijn verklaring wel degelijk wist dat de minderjarige jonger was dan zestien. De minderjarige heeft in het informatief gesprek met de politie gezegd dat verdachte wist dat zij dertien jaar was. Daarnaast heeft verdachte de minderjarige in de ochtend van 23 februari 2015 in een Whatsapp gesprek als volgt geïnstrueerd: “Probeer wel beetje oud uit te zien”, welke instructie zich niet of nauwelijks verhoudt met de verklaring van verdachte.
De rechtbank overweegt voorts dat genoemde strafbepaling ook ziet op bescherming van jeugdige personen tegen verleiding die mede van henzelf kan uitgaan. Er dient te worden vastgesteld of aan de beschreven gedragingen het ontuchtige karakter ontbreekt. Uit de jurisprudentie blijkt dat het hierbij in belangrijke mate aankomt op de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Er wordt hierbij belangrijke betekenis toegekend aan de vrijwilligheid van en het leeftijdsverschil tussen betrokkenen. Ook de omstandigheid of er sprake is geweest van een affectieve relatie speelt hierbij een rol. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat er sprake is geweest van ontuchtige handelingen. Van een gelijkwaardige verhouding tussen verdachte en de minderjarige was geen sprake. Verdachte was vijf jaar ouder dan de minderjarige en reeds volwassen. Ook blijkt uit het telefoonverkeer dat verdachte het contact met de minderjarige op dwingende wijze heeft gestuurd. Tevens was het verdachte bekend dat de minderjarige verbleef in een gesloten jeugdinrichting. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering van de straffen
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem onder 1 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden reclasseringscontact en het zich onder behandeling stellen bij PuntP. Ter zake van het door hem onder 3 bewezen geachte feit dient verdachte te worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren.
De raadsman heeft verzocht om ten aanzien van verdachte het jeugdstrafrecht toe te passen. Hij verwijst hierbij naar het reclasseringsrapport van 28 januari 2016, waarin wordt vermeld dat verdachte in het gesprek jeugdig overkomt en dat er aanwijzingen zijn dat er sprake is van beperkte handelingsvaardigheden en waarin wordt geadviseerd tot toepassing van het jeugdstrafrecht.
De rechtbank acht het advies van de reclassering niet alleen zeer summier, maar ook weinig onderbouwd. Ondanks herhaalde uitnodigingen daartoe, heeft verdachte ter zitting geen vragen over zijn contact met de minderjarige en over de tenlastegelegde feiten willen beantwoorden. Nu verdachte ervoor heeft gekozen om in het strafproces geen openheid van zaken te geven omtrent zijn delictgedrag en verdachte zelf onvoldoende openheid heeft gegeven over zijn persoonlijkheid, worden de conclusies uit het rapport onvoldoende bevestigd. Bovendien komt uit het dossier niet naar voren dat verdachte lichtvaardig en impulsief heeft gehandeld, maar blijkt met name uit het telefoonverkeer juist dat hij berekenend en manipulatief bezig is geweest. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Alhoewel dit niet concreet is onderzocht, zal bij de hierna te noemen strafoplegging wel rekening worden gehouden met het feit dat verdachte mogelijk een beperkt cognitief vermogen heeft, zoals ook zijn vader ter terechtzitting heeft opgemerkt.
De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging kennis genomen van de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictgroepen zijn neergelegd in de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, welke dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en regelmatig worden geactualiseerd.
In zaken als de onderhavige geldt als uitgangspunt voor strafoplegging dat ten aanzien van ontucht met een minderjarige een gevangenisstraf voor de duur van een aantal jaren kan worden opgelegd.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft met een meisje van dertien jaar in een hotel in Amsterdam ontucht gepleegd, dat bestond uit het op meerdere manieren seksueel binnendringen van haar lichaam. Voorts heeft verdachte het meisje verborgen gehouden voor haar pleegouders en de politie en bij navraag haar verblijfplaats niet bekend gemaakt. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten grote schade kunnen toebrengen aan de ontwikkeling van minderjarige personen. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring is gebleken dat de psychische problemen van het meisje door het gebeurde zijn verergerd en dat het leven van haar familie hierdoor is ontregeld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van
28 juli 2016. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens een strafbaar feit.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen geachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en ten aanzien van het onder 3 bewezen geachte een werkstraf. Om het gevaar van recidive te verminderen zullen als bijzondere voorwaarden worden gesteld reclasseringscontact en verplichte behandeling bij PuntP, waarbij met name aandacht dient te worden besteed aan het delictgedrag van verdachte.
De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van de feiten, het feit dat verdachte een zogeheten first offender is en hetgeen naar voren is gekomen over zijn persoonlijke omstandigheden. Gezien de oriëntatiepunten, ziet de rechtbank aanleiding om bij de hoogte van de straf ten aanzien van feit 1 af te wijken van hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd.
De rechtbank overweegt voorts dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten artikel 245 vanPro het Wetboek van Strafrecht. Gelet op de ontwijkende proceshouding van verdachte, waarbij verdachte op geen enkele wijze heeft getoond het laakbare van zijn handelen in te zien, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom is ter verzwaring van het gewicht van de bijzondere voorwaarden een hogere voorwaardelijke straf dan door de officier van justitie geëist noodzakelijk en zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht, ook dadelijk uitvoerbaar zijn.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 22b, 22c, 22d, 57, 245 en 280 van het Wetboek van Strafrecht.
9.Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 bewezen geachte:
Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam
Ten aanzien van het onder 3 bewezen geachte:
Opzettelijk een minderjarige, die zich onttrokken heeft aan het wettig over haar gesteld gezag van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent, verbergen en aan de nasporing van de ambtenaren van justitie en politie onttrekken
Veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 3 bewezene tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 (honderdtwintig) uur, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.
Veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezene voorts tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat deze straf nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.
Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich na zijn veroordeling binnen twee dagen meldt bij de Reclassering Nederland, op het adres [adres 2] . Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;
2. zich ambulant moet laten behandelen bij de polikliniek PuntP te Amsterdam of een vergelijkbare instelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en voor zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de polikliniek zullen worden gegeven.
Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P.E. Has, voorzitter,
mrs. H.L.L. Briët en F. Dekkers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.M. van den Hout-Wilbers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 september 2016.