ECLI:NL:RBAMS:2016:5715
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op bijstandsuitkering wegens onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding
Verzoekster heeft een bijstandsuitkering aangevraagd die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen op grond van het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat zij een gezamenlijke huishouding voert met betrokkene. Dit rechtsvermoeden volgt uit artikel 3, vierde lid, onder a, van de Participatiewet en is gebaseerd op het feit dat verzoekster en betrokkene in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag als gehuwden zijn aangemerkt en op hetzelfde adres wonen.
De rechtbank stelt vast dat het eerdere besluit waarbij verzoekster en betrokkene als gehuwden werden aangemerkt niet meer kan worden aangevochten, waardoor het bestaan van de gezamenlijke huishouding vaststaat. De aangevoerde gronden door verzoekster om het bestaan van wederzijdse zorg te betwisten, kunnen het rechtsvermoeden niet weerleggen.
Daarom is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter M.C. Eggink op 9 september 2016.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.