ECLI:NL:RBAMS:2016:6617

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 juli 2016
Publicatiedatum
17 oktober 2016
Zaaknummer
HA RK 228.2016
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 39 lid 1 RvArt. 39 lid 5 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoeken tegen kantonrechter wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor partijdigheid

Verzoeker heeft twee wrakingsverzoeken ingediend tegen kantonrechter mr. C.J.M.L. de Waal in twee verschillende zaken bij de rechtbank Amsterdam. Het eerste verzoek stuit af op een eerdere beslissing waarbij werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. Het tweede verzoek bevatte geen feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor valt af te leiden.

De rechtbank benadrukt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden aantonen dat dit niet het geval is. Het subjectieve standpunt van verzoeker is niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn. In dit geval ontbraken dergelijke aanwijzingen.

Verder is vastgesteld dat kantonrechter De Waal slechts een instructievonnis heeft gewezen en geen verdere inhoudelijke betrokkenheid heeft bij de zaak. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is niet nodig omdat het verzoek zonder kenbare grondslag is ingediend.

De rechtbank oordeelt dat het lichtvaardig inzetten van het wrakingsmiddel zonder grondslag misbruik van recht vormt. Daarom wordt bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker niet in behandeling zal worden genomen en wordt de procedure hervat zoals die was voor het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Wrakingsverzoeken tegen kantonrechter De Waal worden afgewezen en verder wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen wegens misbruik van recht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beschikking op de op 3 juni 2016 schriftelijk gedane en onder rekestnummer
C/16/609285/HA RK 228.2016 ingeschreven verzoeken van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
welke verzoeken strekken tot wraking van mr. C.J.M.L. de Waal, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:
 het schriftelijke wrakingsverzoek d.d. 3 juni 2016 in twee zaken (4339710 CV EXPL 15-20150 en 5026698 CV EXPL 16-13519);
 een vonnis van 18 april 2016 in de zaak met nummer 4339710 CV EXPL 15-20150 waarbij de vordering in conventie naar de rol is verwezen en de door verzoeker in reconventie ingestelde vordering is afgewezen.
 De laatste pagina van een tussenvonnis in de zaak met nummer 5026698 CV EXPL 16-13519.

De feiten

Verzoeker is gedaagde in de bij de rechtbank aanhangige en onder zaaknummer 4339710 CV EXPL 15-20150 geregistreerde zaak.
In voormelde zaak heeft verzoeker eerder een wrakingsverzoek ingediend. Bij beslissing van 8 januari 2016 is door de wrakingskamer bepaald (zaaknummer C/15/598341/HA RK 362.2015) dat een volgend verzoek van verzoeker tot wraking in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Verzoeker is eveneens gedaagde in de bij de rechtbank aanhangige en onder zaaknummer 5026698 CV EXPL 16-13519 geregistreerde zaak. In deze zaak heeft de rechter bij vonnis van 10 mei 2016 een verschijning van partijen bevolen tot het geven van inlichtingen aan de kantonrechter en ter beproeving van een schikking.

De verzoeken en de gronden daarvan

Verzoeker heeft aan beide verzoeken ten grondslag gelegd dat de rechter corrupt is.

De beoordeling van het verzoeken

4.1
Gelet op de onder 1.b van de feiten vermelde beslissing wordt het verzoek van klager in de zaak met 4339710 CV EXPL 15-20150 niet (verder) in behandeling genomen.
4.2
Voor het verzoek in de zaak met nummer met 5026698 CV EXPL 16-13519 geldt dat op grond van het bepaalde in artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in een wrakingprocedure dient te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.3
Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
4.4
Het verzoek luidt: “bij deze wraak ik ktr. De Waal wegens corruptie” en bevat verder een verwijzing naar bijlagen. In het verzoek en de daarbij gevoegde bijlagen zijn geen feiten of omstandigheden vermeld waaruit vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, valt op te maken.
4.5.
Inmiddels is vast komen te staan dat de rechter als rolrechter geen verdere betrokkenheid bij deze zaak heeft dan het wijzen van het onder 1.c van de feiten vermelde instructievonnis. De verdere inhoudelijke behandeling vindt plaats ten overstaan van een andere rechter.
4.6
Voor een mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 39 lid 1 Rv Pro bestaat geen aanleiding. Het in deze bepaling als vanzelfsprekend opgenomen recht op hoor en wederhoor is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Aan dat onderzoek komt de rechtbank niet toe omdat het verzoek zonder kenbare grondslag is ingezet.
4.7
Omdat door verzoeker het middel van wraking lichtvaardig, zonder kenbare grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik van recht. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek van klager tot wraking ook in de zaak met nummer 5026698 CV EXPL 16-13519 niet in behandeling zal worden genomen.
5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking in de zaak met nummer 5026698 CV EXPL 16-13519 af;
- bepaalt dat een volgend verzoek van verzoeker tot wraking in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen;
- bepaalt dat de procedure in de zaak met nummer 5026698 CV EXPL 16-13519 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.
Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mrs. A.W.J. Ros en A.J. Dondorp, leden, in tegenwoordigheid van de griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2016.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.