ECLI:NL:RBAMS:2016:6896

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 oktober 2016
Publicatiedatum
27 oktober 2016
Zaaknummer
HA RK 277.2016
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 lid 4 SvArt. 512 SvArt. 515 lid 5 SvArt. 591a Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters bij behandeling verzoek tot schadevergoeding na vrijspraak

Verzoeker, vrijgesproken in een strafzaak, diende een verzoek tot schadevergoeding in wegens de gevolgen van voorlopige hechtenis. De raadkamer die dit verzoek behandelde bestond uit andere rechters dan de strafkamer die tot vrijspraak kwam. Verzoeker stelde dat dit en het ontbreken van een toezegging om het volledige strafdossier te bestuderen, aanleiding gaf tot een vrees voor vooringenomenheid, en verzocht om wraking van de rechters.

De rechters stelden dat de samenstelling van de raadkamer en het feit dat deze niet vooraf het volledige strafdossier had ingezien, geen aanleiding gaf tot het vermoeden van partijdigheid. De raadkamer was bereid het dossier te raadplegen indien nodig en de behandeling was nog niet afgerond. De wrakingskamer oordeelde dat zonder nadere feiten of omstandigheden geen objectieve grond voor vooringenomenheid bestaat.

De rechtbank benadrukte dat de rechter uit hoofde van zijn functie onpartijdig wordt vermoed, en dat wraking alleen kan worden toegewezen bij uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing vormen voor partijdigheid. Het verzoek werd daarom afgewezen en de procedure werd voortgezet in de bestaande stand.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters werd afgewezen wegens het ontbreken van objectieve gronden voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
wrakingskamer
Uitspraak: 7 oktober 2016
Beschikking op het op 8 juli 2016 gedane en onder rekestnummer HA RK 277.2016 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
wonende op het adres [ ],
raadsman mr. A.A. Bart, advocaat te Veenendaal,
welk verzoek strekt tot wraking van mrs. S.A. Krenning, F.W. Pieters en M.F. Ferdinandusse, rechters, belast met de behandeling van strafzaken en verzoekschriften ingevolge het Wetboek van Strafvordering (Sv) in openbare raadkamer, in de rechtbank Amsterdam, hierna ook: de rechters/de raadkamer.
Verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
  • een proces-verbaal behandeling raadkamer van
  • de schriftelijke reactie van de raadkamer van 16 september 2016 op het ingediende wrakingsverzoek, waaruit blijkt dat de rechters niet in de wraking berusten;
  • de reactie per e-mail van 27 september 2016 van mr. N. Voorhuis, officier van justitie, waaruit volgt dat het Openbaar Ministerie geen nadere visie op het verzoek wenst te geven;
  • de ter zitting van 30 september 2016 door de raadsman ingediende pleitnota.
Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 30 september 2016, alwaar verzoeker, zijn raadsman en de rechters Krenning en Pieters zijn gehoord.

1.De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:
  • verzoeker is als verdachte in de strafzaak met parketnummer 13/520077-09 bij vonnis van deze rechtbank van 12 januari 2016 vrijgesproken;
  • verzoeker heeft op 12 april 2016 via zijn raadsman een verzoekschrift tot schadevergoeding ex artikel 89 en Pro artikel 591a Sv ingediend, bekend onder zaaknummer RK 16/2487 en 16/2488;
  • de officier van justitie heeft een verweerschrift ingediend;
  • op 8 juli 2016 heeft de mondelinge behandeling van dat verzoekschrift plaatsgevonden in openbare raadkamer;
  • de raadkamer die het verzoekschrift behandelde bestond uit andere rechters dan de rechters die deel uitmaakten van de meervoudige strafkamer die verzoeker op 12 januari 2016 heeft vrijgesproken;
  • de raadsman heeft ter zitting van 8 juli 2016 de rechters verzocht zich te verschonen, welk verzoek de rechters hebben afgewezen; de raadsman heeft vervolgens namens verzoeker onderhavig wrakingsverzoek gedaan;
  • artikel 89 lid 4 Sv Pro luidt “

2.Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is – kort zakelijk weergegeven – gebaseerd op de navolgende ter zitting door de raadsman toegelichte gronden.
Het verzoek tot schadevergoeding is ingediend omdat als gevolg van de ondergane voorlopige hechtenis in de strafzaak ING het bedrijfskrediet van verzoeker heeft opgezegd, waardoor forse schade is ontstaan. De rechters hebben verzoeker kritisch bevraagd, waardoor een onevenwichtige sfeer ontstond. Dat is evenwel geen grond voor de wraking geweest. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat verzoeker geen recht heeft op schadevergoeding nu hij die voorlopige hechtenis – kort gezegd – aan zichzelf had te wijten. Het Openbaar Ministerie was voornemens nieuwe stukken in het geding brengen die niet in het strafdossier zaten. Tijdens de behandeling van het verzoekschrift bleek dat de raadkamer niet beschikte over dat onderliggende strafdossier. Dit heeft de raadsman zeer verbaasd. Op de vraag van de raadsman of de raadkamer alsnog kennis zou gaan nemen van het strafdossier heeft de oudste rechter gereageerd met de woorden “dat ligt er aan”. Vervolgens heeft de raadkamer geweigerd toe te zeggen om alsnog zonder meer kennis te nemen van het strafdossier. Daarbij komt dat het feit dat artikel 89 lid 4 Sv Pro – kennelijk structureel – niet wordt nageleefd zeker in deze zaak kwalijk is en contra legem. De combinatie van het voornoemde maakt dat bij verzoeker een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid is ontstaan, zodat het wrakingsverzoek dient te worden toegewezen.

3.Het standpunt van de rechters

De rechters hebben zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen.
De wijze waarop de behandeling van de verzoek tot schadevergoeding plaatsvond geeft geen aanleiding tot het oordeel dat er sprake is van vooringenomenheid of het wekken van schijn van partijdigheid.
De enkele omstandigheid dat de raadkamer die over de verzoeken tot vergoeding van de schade moet oordelen, niet uit dezelfde rechters is samengesteld als de rechtbank die tot vrijspraak van verzoeker is gekomen, is naar het oordeel van de raadkamer niet een omstandigheid waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het is in de rechtbank Amsterdam, om organisatorische redenen, kennelijk gebruikelijk(er) dat niet de zittingsrechter die tot vrijspraak is gekomen het verzoek tot schadevergoeding behandelt, maar rechters uit een team met als kerntaak behandeling van rekesten en dus ook verzoeken tot schadevergoeding.
Ook de enkele omstandigheid dat de raadkamer niet van te voren kennis heeft genomen van het (gehele) strafdossier leidt naar het oordeel van de raadkamer niet tot de conclusie dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De wederzijdse standpunten met betrekking tot de verdenking, het ondergaan van de voorlopige hechtenis en de duur ervan, de beslissingen van de rechtbank en het Hof, alsmede de gevolgen die dat mogelijk voor verzoeker gehad zou kunnen hebben, zijn uitgebreid aan de orde geweest. Voorts heeft de raadkamer niet geweigerd om (alsnog) kennis te nemen van het gehele strafdossier, waarbij van belang is dat de raadsman de raadkamer niet heeft gevraagd (een deel van) het dossier te lezen en ook niet (gemotiveerd) heeft aangegeven welke delen van het dossier dan relevant zouden zijn; bovendien was de behandeling ter zitting nog niet afgerond. Daarbij komt dat de raadkamer duidelijk te kennen heeft gegeven het dossier te raadplegen indien de stellingen van partijen daar aanleiding toe geven. Ook ten aanzien van deze feiten en omstandigheden geldt dat die hoe dan ook niet tot de conclusie kunnen leiden dat de raadkamer niet onpartijdig zou zijn.

4.De beoordeling van het verzoek

Op grond van het bepaalde in artikel 512 Sv Pro dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
Het gesloten systeem van rechtsmiddelen biedt geen ruimte voor een beoordeling van de juistheid van een door de rechtbank genomen beslissing. Grond voor wraking bestaat alleen als een beslissing zo onbegrijpelijk is dat daarvoor geen andere redelijke verklaring kan worden gegeven dan dat deze voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechtbank.
Verzoeker meent dat de andere samenstelling van de raadkamer dan de strafkamer die hem heeft vrijgesproken (gezien art. 89 lid 4 Sv Pro) en het uitblijven van een toezegging van die raadkamer om van het gehele strafdossier kennis te nemen, feiten en omstandigheden opleveren op grond waarvan de vrees dat het de raadkamer aan onpartijdigheid ontbreekt gerechtvaardigd is. De wrakingskamer volgt verzoeker daarin niet. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan uit de beschreven gang van zaken geen vooringenomenheid van de rechters niet worden afgeleid. Ook de wijze waarop de rechtbank invulling geeft aan artikel 89 lid 4 Sv Pro is, zonder nadere feiten of omstandigheden, geen objectieve grond die de vrees dat de raadkamer niet onpartijdig is, rechtvaardigt.
Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING:
De rechtbank:
  • wijst het verzoek tot wraking
  • bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin de procedure zich
Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mrs. S.P. Pompe en W.M. de Vries, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 oktober in tegenwoordigheid van
mr. P. Tanis, griffier.
Tegen deze beslissing staat ingevolge artikel 515 lid 5 Sv Pro geen voorziening open.