ECLI:NL:RBAMS:2016:6938
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen schorsing rijbewijs wegens vermoeden rijden onder invloed van drugs
Op 18 augustus 2016 ontving het CBR een melding van de politie dat verzoeker vermoedelijk onder invloed van drugs een taxibus bestuurde. Het CBR schorste daarop zijn rijbewijs en verplichtte hem tot een onderzoek naar rijgeschiktheid. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om het onderzoek en de schorsing te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het vermoeden van rijden onder invloed gerechtvaardigd was, gelet op het rijgedrag, de hasjlucht, bloeddoorlopen ogen en aangetroffen jointresten in de taxi. Verzoeker kon zijn stellingen niet met bewijs onderbouwen. Het CBR had daarom terecht het onderzoek bevolen en het rijbewijs geschorst.
De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het bezwaar van verzoeker weinig kans van slagen had en dat het belang van verkeersveiligheid zwaarder woog dan het belang van verzoeker om zijn beroep als taxichauffeur uit te oefenen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen, waardoor verzoeker moet meewerken aan het onderzoek en geen motorrijtuigen mag besturen totdat het bezwaar is beslist.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de schorsing van het rijbewijs en het onderzoek naar rijgeschiktheid wordt afgewezen.