Verzoekster kreeg haar kinderopvangtoeslag beëindigd omdat zij en haar kinderen niet langer op hetzelfde woonadres, maar op een postadres stonden ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Verzoekster betoogde dat er uitzonderingen mogelijk zijn op de hoofdregel van inschrijving op hetzelfde woonadres, zoals opgenomen in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de daarop gebaseerde uitvoeringsregeling, en dat zij feitelijk wel samen met haar kinderen woonde.
De rechtbank overweegt dat de wettelijke regeling duidelijk vereist dat ouder en kind op hetzelfde woonadres in de BRP moeten staan ingeschreven, met enkele wettelijke uitzonderingen. Verweerder stelde dat alleen zeer uitzonderlijke gevallen, zoals verblijf in een blijf-van-mijn-lijf-huis, tot afwijking kunnen leiden. Echter is niet duidelijk op welke wettelijke grondslag andere uitzonderingen zijn gebaseerd, terwijl verweerder zelf aangaf dat er kennelijk meer uitzonderingsmogelijkheden bestaan.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en dat verweerder verzoekster in de bezwaarfase niet heeft gehoord, waardoor het beroep gegrond is. Verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen waarbij verzoekster de mogelijkheid krijgt zich te laten horen en bewijsstukken te overleggen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de situatie niet spoedeisend is.