De rechtbank Amsterdam heeft op 28 november 2016 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het bezit van een geladen pistool en munitie van categorie III op 1 november 2014 te Nieuwegein. Het onderzoek vond plaats tijdens terechtzittingen op 26 september en 21 november 2016. De verdediging voerde onder meer aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen en dat er onvoldoende bewijs was voor de geschiktheid van het wapen.
De rechtbank verwierp de bezwaren van de verdediging. De bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd en de geringe overschrijding van de redelijke termijn werd erkend maar niet bestraft met niet-ontvankelijkheid. De inbeslagname van het wapen was rechtmatig, aangezien de politie op grond van de Opiumwet mocht zoeken in de auto. Het pistool werd door een deskundige als vuurwapen erkend zonder dat een schietproef noodzakelijk was.
De stemherkenning in een OVC-gesprek werd als betrouwbaar beoordeeld en het bewijs toonde aan dat verdachte bewust en met beschikkingsmacht het wapen en de munitie voorhanden had. Gezien de ernst van het feit, de omstandigheden en de persoon van verdachte, werd een gevangenisstraf van drie maanden opgelegd, waarbij rekening werd gehouden met het feit dat het wapen geladen was en dat het een relatief oud feit betrof.